Zorg voor het slachtoffer?…

43069-orig-16073581.jpgStatement

De PKN moet eindelijk werk gaan maken van het uitwerken van de uitspraak van de triosynode in 1999: ‘Seksueel misbruik is zonde: kwaad in Gods ogen en onrecht tegen de medemens. De kerk dient onomwonden te kiezen voor slachtoffers.’

Nu, bijna 20 jaar later, moet ik helaas constateren dat er in de PKN te weinig ruimte is voor slachtoffers om hun verhaal te doen. Voorgangers zijn handelingsverlegen, schrikken van de pijnlijke verhalen. De reacties in kerkelijke gemeenten zijn vaak gericht op het herstellen van de status quo waardoor daders geen verantwoording hoeven af te leggen en slachtoffers zich genoodzaakt zien om hun verhaal weer toe te dekken of om uit de gemeente te vertrekken.

Hoewel de PKN de zaken rond misbruik in pastorale relaties redelijk op orde lijkt te hebben, ontbreekt beleid rond elke andere vorm van misbruik binnen de kerk.

Nu opnieuw het nieuws wordt gedomineerd door misbruikverhalen in de Katholieke kerk en bij de Jehovah’s getuigen, kan en mag de PKN niet langer weg kijken. Ook op dit moment worden in onze gezinnen kinderen misbruikt, partners mishandeld. Ook op dit moment lopen slachtoffers van misbruik met hun ziel onder de arm tegen een muur van onbegrip op, en worden ze opnieuw getraumatiseerd.

Te zwaar aangezet? Laat ik het toelichten met ervaringen uit mijn eigen leven en met verhalen van lotgenoten

Kort na die bewuste en voor mij beroemde Synodevergadering van 1999 werd ik predikant. In die jaren stopte ik mijn eigen ervaringen van seksueel misbruik (opnieuw) diep weg. Opvallend was dat er wel mensen met ervaringen van huiselijk geweld en seksueel misbruik op mijn pad kwamen. Collega’s kwamen dat maar sporadisch tegen.

In mijn leven heb ik zeer veel geleden, als kind, natuurlijk, maar ook op mijn weg naar Heelwording. In de psychiatrie maar ook vanuit de kerk.

Nog in mijn studententijd heb ik geprobeerd bij een predikant aan te kloppen. Ik kwam in die tijd niet verder dan door de angst en schaamte te zeggen dat er `iets’ was tussen mij en mijn vader. Deze dominee dwong mij om te benoemen in detail wat er gebeurd was. Ik kon maar één ding aangeven. De rest was in de angst verstikt. Daarna ging de dominee bidden. Hij bad om vergeving en verzoening. Hij was klaar met gebed en ik vluchtte. De week erna vroeg hij hoe het ging en ik zei: prima.

Na de geboorte van ons kind werd ik met psychoses opgenomen op de PAAZ. Na een jaar opnames kwam een collega van mij de afdeling op. Hij was dominee geworden; ik was psychiatrisch patiënt. Hij deed net of hij mij niet kende en ging bij een mevrouw op bezoek, een medepatiënt. Hij zei niet eens gedag. Ik had al die jaren bij hem in dezelfde groep gezeten, we hadden samen gebakjes gegeten na tentamens en gelachen en nu was ik geen mens meer voor hem.

Al onze vrienden verloren we toen ik werd opgenomen. Allemaal theologiestudenten… Allemaal toekomstige dominees. Ze vonden het allemaal te zwaar om met mijn verhaal om te gaan. Ik verloor niet alleen mijn familie maar iedereen.

Een dominee van de gemeente waar wij lid van waren kwam als een huisvriend bij ons. Dat was eerst heel fijn, hij was trouw, liefdevol betrokken. Maar toen bij mij de verwarring ontstond tussen afstand en nabijheid kreeg ik daar de schuld van en was hij meteen verdwenen. Ik heb hem er nooit meer over kunnen spreken.

In de jaren dat ik predikant ben geweest waren er bij de Regionale Dienstencentra diverse werkgroepen Godsdienst en Incest actief. Zij maakten zich sterk voor slachtoffers van seksueel geweld in het land. Daar zijn geweldige initiatieven ontstaan. Er zijn kleine rapporten en aanzetten verschenen, maar omdat de Dienstencentra werden opgeheven is deze expertise helemaal verdwenen.

Toen ik werd afgekeurd als predikant en opnieuw in de psychiatrie terechtkwam wilde ik heel graag geestelijke begeleiding. Ik kreeg geestelijke begeleiding nota bene van iemand van de GGZ. Ik vroeg haar om te luisteren naar mijn verhalen. Zij zei tegen mij dat dat te zwaar voor mij was. Ik voelde me opnieuw in de steek gelaten. En dat terwijl ik zo op zoek was naar erkenning en herkenning.

Psychisch ziek zijn ten gevolge van seksueel misbruik wordt niet over het algemeen slecht begrepen in de kerkelijke gemeente. Er zijn enkele mensen (dat worden vriendinnen) die trouw zijn en nabij blijven. Maar helaas zijn er meer mensen die – uit verlegenheid misschien –  zwijgen. Door mijn eigen verlegenheid met de situatie roept dat pijn op. De pijn van verlatenheid.

Enkele maanden geleden zou ik een lezing houden in een gemeente op verzoek van een slachtoffer van huiselijk geweld. Zij wilde heel graag een plek in die gemeenschap. Zij had heel veel reclame gemaakt in haar woonplaats en aandacht gevraagd voor #metoo en de aandacht voor kindermishandeling, huiselijk geweld en seksueel misbruik. Er kwamen die avond naast haarzelf, nog één echtpaar. Het taboe binnen kerkelijke gemeenten is nog zeer groot.

Zelf heb ik inmiddels zes jaar geleden Stichting Kunst uit geweld opgericht. In het begin was een deel van het bestuur ook van zins om het een christelijke stichting te laten zijn. Dat vond ik zelf beslist te smal. Mede door al mijn nare ervaringen met kerk. En ik ben er dankbaar voor dat ik het zo heb gedaan.

Ik heb inmiddels heel veel survivors gesproken. Mensen die vaak in de steek gelaten zijn in de kerk en die rapporteren dat er grote verlegenheid is als het gaat om de begeleiding van hen in hun voortgaande nood.

Als het gaat om daders gaat het hen vaak beter dan slachtoffers in de kerk. Al te vaak hoor ik dat slachtoffers de kerk verlaten en dat daders in de kerk blijven. Tot mijn ontzetting hoorde ik van iemand toen ik vroeg om erkenning van slachtoffers in één adem zeggen: “Maar we moeten toch ook zorg dragen voor de daders?” Natuurlijk begrijp ik dat, maar laten we allereerst erkenning vragen voor slachtoffers die levenslang hebben en die er vaak tientallen jaren over doen om de angst en het zwijgen te doorbreken, vóórdat ze überhaupt met hun verhalen durven komen?!

Om maar te zwijgen over de vreemde opmerkingen die daarna volgen: “Hoe weten we of een slachtoffer de waarheid spreekt.” “Hoe moet het met de gemeente?”enz enz. Allemaal niet behulpzame Jobs-antwoorden.

Al te snel wordt in de gemeente over vergeving gesproken. Een dader heeft baat bij vergeving, omdat het dan niet meer over de kwalijke daden hoeft te gaan. Maar er zit een grote ongelijktijdigheid in een snelle afhandeling van vergeving. Het tempo van een slachtoffer kan totaal anders zijn. Verwerking van trauma’s kost nu eenmaal tijd.

Om nog maar niet te spreken over datgene wat een dader geneigd is toe te geven. Mijn ervaring en waarschijnlijk van vele lotgenoten is dat een dader niet alles toegeeft van wat hij of zij heeft gedaan. Soms lijkt een dader berouwvol, maar hij of zij zal eerst alles moeten toegeven en ook werkelijk aan het slachtoffer, mits zij of hij dat wil en aankan. Pas daarna kan over vergeving en/ of verzoening gesproken worden. Maar alles in het tempo van het slachtoffer.

Welnu, mijn verhaal staat niet op zichzelf. Deze getuigenissen hoor ik overal om mij heen. Van vele vrouwen en ook van mannen, mensen uit christelijke gezinnen.

De meeste predikanten zijn niet toegerust om adequaat, binnen veilige grenzen en trouw om te gaan met deze ernstige problematiek.

Inmiddels heb ik op verzoek van enkele docenten aan theologische universiteiten een aantal keren colleges over trauma gegeven aan theologiestudenten, maar het is bij incidentele lesprogramma’s trauma en zingeving gebleven.

Bijna nergens is een lesprogramma trauma en seksueel misbruik opgenomen of word ik als ervaringsdeskundige en theoloog gevraagd en zo zijn er nog enkele zeer gedreven mensen die hun expertise diverse keren hebben aangeboden maar waar onvoldoende gebruik van wordt gemaakt. Zo lijkt er vooralsnog geen ruimte voor een  Fte door de top van de kerk gecreëerd om zorg te dragen voor slachtoffers in het land. De vraag komt niet uit de gemeenten volgens het bestuur van de Protestantse Kerk.

Daarom schrijf ik dit statement. Omdat ik geloof dat het de tijd wordt dat mensen zich gaan melden bij de Landelijke Kerk en zeggen dat zij in geestelijke nood zijn en dat er absoluut hulp moet komen. Dat predikanten begeleid moeten worden in hoe zij slachtoffers van seksueel misbruik kunnen begeleiden en eindelijk de goede zorg kunnen dragen zoals mensen zo hard nodig hebben. Laat de mensen niet alleen!

  • tekening bovenaan : Niet kunnen opstaan Esther Veerman
  • schilderij onderaan: Verbroken banden Esther Veerman

verbroken banden

Advertenties

Sick from Trauma

chronisch ziek

First published in Dutch the Tijdschrift voor Psychotherapie, 2018, 44 (2), 111-119. Re-published with permission: ESTD (European Society for Trauma & Dissociation) Newsletter_Volume_7_Number_2_June_2018, 5-12.

Sick from Trauma

by: Esther Veerman

painting: Chronically Ill – Acryl, Esther Veerman (2017)

INTRODUCTION
People who carry with them chronic experiences of domestic and/or sexual violence from their early childhood often experience many consequences of a psychological nature later in life. In addition, physical consequences are also reported in the literature and by people knowledgeable about such experiences. In this article, I wish to use the story of my own experience story the consequences of violence in early childhood on my illness (history). The question I put forward is: if attention is paid to both the psychological and physical consequences of chronic early childhood trauma and good multidisciplinary treatment is used, is it possible to reduce the consequences and reduce suffering in the long term?

 

I was only a young girl when I had to deal with serious abuses by both my parents. Sexual abuse by my father and physical abuse by my mother. So it was that at a young age I visited the paediatrician together with my mother. At a young age, I suffered
from a serious shortness of breath. I had to go to the physiotherapist and I called him the Knocker, because he would have to loosen the mucus by percussion (clapping).. but when I left his office, I was red all over and feeling bad. Perhaps the reason for that was rather the fact that I had to go to my father during the lunch break from school. At noon,
I walked from school down the street to the shop where my father was the branch owner. It was there that things happened that could not stand the light of day. I was only six years old. On my bike home I had no more strength in my legs and no more air in
my lungs.

Once home, I fell ill. I became nauseous and had to vomit. The emotions became much too much for me; now that I look back on it, I can tell what happened, but back then, I could not. At that time, I was merely ill. My head and body were not one during that period of survival. I felt sick, but didn’t realise that I felt so wretched and sick because of the things that were wrong within the family. For me, as a child, this was normal family life. And to the outside world, everything seemed perfectly normal. I certainly didn’t dare cry at all. I think that as a child, I tried to rub away a lot of tears from my eyes that were not allowed to be there.

Often I had inflamed eyes, or my eyes were completely closed with eczema. I also started self-harming. At first, I only scratched my shoe over my ankle a little, pushing the tension and pain away. But as time went on, things got worse. Every time things happened at night, I grabbed a pair of scissors and totally destroyed the skin of my arms and legs. No cutting but rather scraping with the blade. That pain shifted the terrible internal pain and tension, as it were, and exhaustion followed. Mother invariably continued to call it eczema. All doctors in the north of the country were visited for this reason. As soon as questions were asked, I had to see a different doctor. The abuse moved to our home when my sister left home and I got a room of my own. I was only ten years old.

Small as I was, I put the abuse in boxes in my head that were as firmly locked as possible, so that I could still go to school during the day and play a bit when possible. With a mother, who was a perfectionist and very demanding, and was also quick to lash out and
smack you if you made a tiny mistake, a normal life was almost impossible. In addition, we had to get top marks as children, and so I also succeeded in high school without ever needing to repeat a year. During this period, the abuse spread to third parties, and I
have seen and experienced a lot more that is too terrible for a child to experience.

Throughout my life, I noticed that I was extremely stiff. As a small child, I couldn’t keep up during physical education classes. For example, I remember once having to climb up a climbing frame and suddenly being horrifically aware that the gymnastics teacher
could see me from below. My reaction was terribly strong. I was maybe seven years old. I was shivering at the top of the climbing frame and it was impossible for me to climb down. He was shouting and gesturing that I had to come down. In the end I managed to
obey, although my body almost let me down and I was still afraid of crashing to the ground.

That stiffness of spread. I was already anxious about anything new. But I had a lot of trouble jumping over a vaulting horse or a vaulting box, for example. Then you had to spread your legs and I couldn’t do that. I really didn’t think about the abuse at that moment, that wasn’t available to me. But I simply couldn’t spread my legs. They were clamped together. Later on there were gymnastics teachers who dragged me
over such a vaulting horse almost by force. Those were unpleasant experiences.

The years at high school I went unnoticed. I did unconsciously send out signals, such as the selfharm that became more and more visible to the outside world. So I became the only girl to wear leggings during gym class at high school. However, no questions were asked. During English lessons, I wrote a poem in which I described a “scorned Self”,
but I remember that I really didn’t understand why I had to write down those specific words. This teacher once asked me if I felt okay and I hurried to say “okay”. That was all that was ever communicated to me at that time of my life about my well-being.

During my theology studies, I seemed to be doing very well. The fact that I left home seemed to give me some space and freedom of movement. When an unexpected, sometimes small event, smell, taste, or a person’s reaction – also called a trigger -– suddenly and unconsciously reminded me of the experiences of the past, everything could go completely wrong. An example of this was a psychology lecture, during
which a film was shown, the content of which I have never remembered since. It was probably about euthanasia or another such strong theme. Suddenly I had the feeling that I was dying and fled from the lecture hall. My heart raced and I couldn’t get enough
air. A few days later, when I had a doctor examine me and he asked me to take off my bra to listen to my heart, I was convinced that he wanted to abuse me. I became furious inside. I didn’t understand anything about good care or what was right and what was
wrong. I was completely confused. But the worst thing was that I had the feeling that my body had betrayed me: after all, if I hadn’t had a “heart attack”, that doctor wouldn’t have crossed my boundaries…

A few years later, I was pregnant with my first child – the birth was as dramatic as the pregnancy had been happy and filled with joy: I had no idea how to handle the contractions and I was also very phobic about them. The pain in the pubic area resembled too much the re-experiencing of the countless rapes I had suffered in my childhood. And it all came back like a tornado. It landed on me, as it were.

After giving birth, I drifted into psychosis, in which those images returned magnified like in a nightmare; they constantly overwhelmed me. And my body gave countless memeories back to me. Sometimes I was paralysed, and then I was completely frozen again.  Sometimes I was sick as a dog and then, once more, I had huge spasms in my lower back. It was almost too much to describe. Admission to psychiatric hospitals followed, first with my baby, later without. The sorrow of leaving my child behind is almost indescribable and a trauma in itself. But, in order to get better, I also had to pay
that price. The – for me – strange symptoms continued to alternate. Often, when it was close to nighttime and the doors were locked, I got a strong urge to flee. The feeling of being locked up frightened me so much that I began to shake violently, racked with
convulsions. My legs were so tense and everything in me seemed to call out that I had to get away from where I was at that moment.
At other times I suddenly got the feeling that I had landed at the bottom of a deep well and that I could only experience reality from that deep well. In fact, my muscles were slackened and my eyes closed, and I only breathed superficially. But I could hear
what was being said to me, I just couldn’t respond anymore. Years of hospitalisations and therapy followed. In the end, after many desperate attempts to find help, I asked a specialist in the field of early childhood chronic traumatisation for a diagnosis.
He concluded that I suffered from DID, dissociative identity disorder.

Years of intensive phase-oriented trauma therapy followed. At the same time, there were also many physical complaints. Previously, when I was thirty years old, my eyes deteriorated. I had keratoconus, a serious condition that caused my cornea to
degenerate. In the end, I needed a corneal transplant in my left eye and an operation in my right eye to prevent the cornea from deteriorating further. In addition, I had more and more painful symptoms, such as severe pain in my legs and back.

As I had a long history of trauma, it was long thought that it was a mental problem and therefore, little medical attention was paid to those symptoms. A general practitioner who treated me often referred to the side effects of my long list of medications and invariably said that it was a side effect of a medicine. At that time, I ended up at the emergency department with a variety of complaints. The frustrating thing was, that because of my insecurity and fear of people in general and now also of doctors, I was not able to report my complaints properly. Frustrating for the doctor who treated me, but especially for myself and my loved ones. Often I came back from the hospital even worse than I had gone there, and then I was admitted in psychiatry.

A decade and a lot of suffering later, I met a doctor at a pain clinic, he prescribed an MRI of my lower back. There turned out to be a double hernia and a scoliosis, but the doctor said that much of the pain in my pelvic floor was trauma-related. It seemed as if the body was going to give me memories back. In consultation with the doctor at the pain clinic, I received treatment from a pelvic floor physiotherapist. There it appeared that part of the
pain problem was related to a constant tension in the pelvic floor area. But any exercise to relieve the area, such as breathing exercises, degenerated into a violent re-experiencing of pieces of my trauma history.
Shortly before, I had already gone through a process in which I constantly thought I couldn’t go to the toilet because that too was a mental problem, and I constantly blamed myself for that. The end of the story was a sudden hospitalisation with  otal incontinence. What became clear to me at this stage of my life was that I had to learn to take the symptoms of my body seriously. I had to learn not to confuse psychosomatics with “triggeritis”.
In my daily life, I often notice that my speech centre, in particular, is feeling under pressure. When I experience even slight stress, I can no longer find words for the simplest things I want to explain. As soon as I experience stress, I can no longer pronounce the word because of the emerging emotion, even if it is dormant in my subconscious. It is no longer part of my frame of understanding, as it were. I no longer “see” the word in front of me and can therefore no longer give it any form or sound. When the stress is over, I can speak quickly and fully again. This is an annoying handicap that has stood in my way a lot already and so I can’t, for example, give lectures  without relying on written notes. I used to think I was stupid, now I know it’s a trauma-related problem and I understand myself; this helps somewhat to deal
with this limitation.
Where I want to go with my story is this: I have received excellent integrative trauma therapy in recent years and something remarkable has happened. Previously, I regularly suffered from severe exacerbations of my asthma and regularly ended up at the hospital’s emergency department. As I have already described, I have had to come a long
way in learning to recognise the physical symptoms of my body and to understand whether something is psychosomatic or merely somatic. Previously, I just started asking doctors (especially the general practitioner) to help me determine whether a complaint is psychosomatic or somatic. After all, this may apply to some complaints, such as anxiety complaints, but also to anxiety-related complaints and some pain-stress complaints.

Luckily I now have a good relationship with my family doctor and I also dare to discuss with him more whether he wants to help me make the distinction, for example
in the case of anxiety: does the anxiety stem from anxiety attacks, or am I constricted as a result of, for example, a starting pneumonia? I realise that it is not always easy to distinguish, but I do like to be able to discuss this so openly.
In the last year, I discovered explicitly how the body has also stored and returned its own memories. For example, the doctor of the pain clinic, a knowledgeable anaesthesiologist, has drawn my attention to the great tension in my pelvic floor.
Chronic stress has often also stored itself there, with consequences for my lower back, problems with breathing, but also things that others take for granted, such as the self-determination of my lower body, with all the consequences for digestion and the
urinary tract. For me there was so much falling into place. All these strange physical complaints turned out to be largely due to stress. In addition to all these mechanical complaints, I also frequently appear to be susceptible to intruders such as viruses and
bacteria. The doctors now also believe that chronic stress has had an effect on my overall condition and has done so for many years.
In spite of all my complaints and problems, I am a staunch believer: I believe in coming to rest through the integration of mind and body, all the more because I am succeeding in integrating my traumas and making them part of my history. I believe in the  importance of realising that it happened to me: as a child I had enormous misfortune. This is not just a comment but an important integrative observation that I was allowed to learn as my trauma therapy progressed. I was not to blame for all these terrible things that happened to me, it was not because I was that kind of a child, or because I was not obedient enough, or what not. No, I had the enormous misfortune of being born into that family.

Now I think: that’s the way it is, but I’m still here. When I look at the process of coming back to life, I see some common threads in my life, for which I am very grateful. My partner, who has been by my side from the beginning, who has experienced so much
with me, and is still here. As a child, I saw angels who helped me escape the trauma into a safe place. After a lot of horribly bad experiences, that at times were re-traumatising, twice in a row I found wonderful trauma therapists, who helped me and showed me
the way to safe places within myself.

Not being able to talk as a result of the trauma is another ‘issue’. From an early age, I have been drawing and painting. Often I didn’t know what the drawing was all about. They were truly unconscious processes. When I was thirteen, I realised in retrospect that I had depicted one of the perpetrators. I had depicted him in the drawing as if he had been shot. The child in the drawing is guilty of killing the offender. I had taken the blame as a child, and it became very clear to me that I had reversed the question of blame in
this way. I had felt responsible for the violence for all these years. Later on, I was always discouraged from talking about traumatisation, even during all admissions to
psychiatric units, but it felt like a violent undercurrent in my inner being that had to be removed. And so I painted what my subconscious gave me. I just put all those paintings under my bed. And I kept silent about it. Fortunately, I was able to take it all with me again later on in my integrative trauma therapy. And very slowly, I dared to add word by word to the images. That, too, was a deadly creepy process. But adding words to the unconscious processes gave me a part of my processing. And a part of the realisation of my past. It made me realise what I had experienced but also: it’s over. So this is my history.

What I manage better and better is to identify emerging stress as a result of relocations earlier, to bring it to rest and to integrate it. That goes very briefly as follows: there are image memories that I struggle with that deserve attention, often caused by a trigger. I give such an image – in my case in the form of a child part – as much space as possible by
letting the child part draw in myself or by letting it do something else that allows it to express itself. Then it becomes clear what the deepest pain or difficulty is and if that is experienced together, I can try to guide the child part to the safe place that I also have
in my head, the place with the angels. In this way I integrate the child part, with the painful memory and emotion in myself.
With the increasing integration of the traumatic relics in my own existence and the integration and rewriting of my history of existence, I get a better and better grip of who I am, but also on my whole life, both psychological and somatic. I have considerably
fewer crises, practically no more psychological crises, and sometimes perhaps as much as 70% fewer than some years ago. It cost me a lot but I  am very grateful for what it gives me for now and for the future.

 

DISCUSSION

In the story of experience, it has become clear that early childhood chronic traumatisation can be responsible for a high dose of stress in early life as well as later in life. This stress does not stop in childhood but continues latently and continues to grow under the skin and is, as it were, stuck in the body in order to provide the necessary scores later on. Through my work for Stichting Kunst uit geweld (The Foundation Art out of Violence), I came into contact with many of my fellow sufferers. People who have reported to me that they are struggling with an unsafe childhood and at the same time are struggling with many diseases.
When I visit a doctor, the first thing I need help with is the differentiation between somatics and psychosomatics. It deserves knowledge and attention on the part of the care provider for diligence as a patient to search together for the cause of a complaint. As I described in my story, it is far from simple. Because of my fear of people in general and many negative core beliefs, I was often unable to express my complaints properly.
One problem that makes it all the more difficult is speech. At moments when the stress hits me, the ability of language stops. Meanwhile I understand from the explanation of one of my trauma therapists that it really is a problem of my brain, which is why
speech goes on strike when stress takes over, but it is a major handicap. This has consequences for any talk therapy. Every traumatised patient from PTSD to DID experiences these consequences and will often have difficulty in expressing where the pain is. This can possibly be solved with patience and time – when a trauma treatment module for PTSD has failed to produce sufficient results.

My therapist had the creativity to respond to this. In the end, it really helped me to put words to the unconscious processes. The problems with language, however, are not limited to therapy, but also play a role in somatic problems. When I go to see a doctor
and I am nervous, I can’t get my words out. To this must be added the problem of dissociation. I can suddenly be insensitive to pain when I am nervous. For example, I can be sent home with a broken foot by an orthopaedist without crutches because he
underestimated the fracture and the pain. Careful listening and the attention of both the
therapist and the physician have always helped me to feel reinforced in my autonomy and also to come into my strength. This has given me the energy to become more self-reliant, to stand up for myself and to find ways to find solutions to my problems.
Nowadays, I tell the doctor that I have a history of trauma in childhood, without going into details. This helps me to say something very briefly about my fears and provides the doctor with the opportunity to consider the reality of me as a patient and the possibility of stress or anxiety, both in the actions he or she is going to perform and the possibility of
psychosomatics in the pattern of symptoms. A multidisciplinary approach for survivors of chronic early childhood trauma could, it seems to me, be useful in order to reduce suffering and improve health. My story shows that within an integral trauma therapy, attention should be paid to the somatic side of me as a patient. At the same time,
the medical world should pay more attention to the psychological side of a somatic condition, and so the two, hand in hand, could eventually lead to a reduction in complaints.

Suppose that the lung specialist in contact with the patient and the psychologist can come up with a better treatment plan and perhaps devise a treatment path for the patient that offers better recovery while being ultimately more cost-efficient, then everyone benefits. Conversely, supposing that the pulmonologist presents a treatment to a patient and that this treatment does not succeed, could it be that a past of early childhood chronic traumatisation  impedes healing? This complexity, which arises from PTSD and, in my situation, DID, and the combination of many psychosomatic and somatic problems, led me to consult with my general practitioner about whether
it would make sense to set up a case manager for my situation. Someone who would help to monitor my physical condition and would help consult with doctors in a multidisciplinary team, and would help me if I had any questions and help prevent medical errors.

Perhaps a great deal could be gained if such a case manager were to be appointed.
What I would find most ideal, but what I think has never been investigated before, is when there wouldbe a doctor within a general hospital, for example an internist, who would form a multidisciplinary team together with the treating psychologist and
general practitioner. Should I, as a patient, have any questions regarding a new complaint, I might also be able to submit them by e-mail to one of them. The advantage for me as a patient is that doctors from the multidisciplinary team would know me.
They would know, for example, that sometimes I cannot express any words and, I need time. And that from time to time, I can minimise complaints or be insensitive to pain. They can also tell colleagues about me as a complex patient. In this way, medical
errors could perhaps be prevented in the future, also with regard to the extensive list of medications.
I am not unique in this. I know I am speaking for a large group of fellow sufferers. Regularly someone will ask me how, for example, if she is traumatised, she can explain to the doctor during a physical examination that she is so scared that this only
exacerbates the symptoms. For me, the trauma therapy and the attention I myself ask for on the psychological side from the regular doctor has led to better care and a reduction in crisis admissions to the emergency department. Finally, patience and stamina are very important on the part of both the caregiver and the patient. A good integrative trauma therapy in consultation with an empathetic general practitioner and specialist could perhaps make a positive impact on the health of a person with the complex problems of early childhood chronic trauma. Faith in the strength of the human being is a prerequisite for this.

Rotterdam tegen kindermisbruik – een impressie

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

 

 

 

Rotterdam tegen seksueel geweld in families

Drie dagen nadenken over de gevolgen van seksueel misbruik in families, samen met professionals, lotgenoten en burgers, dat gebeurde de afgelopen week in de Centrale Bibliotheek van Rotterdam.

Professionals

Professionals die het startsein gaven als Herman Bolhaar, Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Misbruik van Kinderen en psycholoog Martine Delfos. Zij lieten duidelijk zien hoe belangrijk het is om volwassenen bewust te maken van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van kinderen.

Getuigenissen van verhalen van geweld

De echte indruk werd echter gemaakt door de getuigenissen van de mensen die zelf als kind deze vreselijke dingen hebben moeten ondergaan. Zoals Mabel, die met een handgeschreven papier ons allemaal toesprak en vertelde hoe zij tijdens vakanties bij haar broer haar jeugd verloor.

Enkele woorden uit haar gedicht:

“Was ik maar niet de kamer ingekomen..

was ik maar niet in bed gekropen, was ik maar ….

… ik was nog maar een kind… “

Of de vlog van Ingrid, waarin zij oproept om het zwijgen te doorbreken. Haar gedichten vertellen over een wereld van zwijgen, van stil zijn, je mond houden.

Stemmen van vroeger

Mijn eigen verhaal gaat daar ook over. Hoe ik heb geprobeerd me te verweren tegen de gevolgen van het geweld, die als een stem in mijn hoofd telkens weer dingen zegt als: “je bent niets waard, wie wil jou nou?”

Dat ik gaandeweg de jaren heb ontdekt dat het niet mijn èigen innerlijke stem was die mij naar beneden haalde, maar dat het de stemmen van de daders waren, van de mensen die mij stuk hadden gemaakt als kind. Dat was een puzzel die maar moeizaam uit elkaar gelegd kon worden.

Workshop: “Een Kaart voor elke Dag”

De tweede dag van de driedaagse mocht ik dat ook werkelijk uitbouwen samen met Yvonne Peschier (kunstzinnig therapeut) in twee keer twee workshops.

Zij aan zij hebben we workshops gegeven, plenair begonnen en telkens in twee groepen uit elkaar, vanuit het kaartenproject: “Een Kaart voor elke Dag”, uitdrukkingen van positieve kernoveruigingen (na ingrijpende ervaringen). Deze kaarten ontstonden vanuit mijn weg naar heelwording.

Iedere deelnemer mocht proberen bij zichzelf te ervaren aan welke kernovertuiging zij of hij wilde werken en zelf een kaart maken, met pastelkrijt of met acrylverf op doek.

De resultaten waren even veelzijdig als verbluffend en misschien voor het eerst echt raakte mij de veiligheid binnen de grote en de kleinere groep. Meestal probeer ik een stuk van mijzelf als het ware achter te houden of te verschuilen. Het is te kwetsbaar om te laten zien. Het zijn  immers de stemmen van vroeger die beter weten, dat ik het niet waard ben om veiligheid te mogen ervaren?

Ervaren van veiligheid

Eindeloos heb ik geoefend met mijn traumatherapeut met woorden als: ik ben geliefd, ik ben nu veilig. En voor het eerst van mijn leven lijkt het zich te vertalen in het hier en nu. In deze gemixte groep slachtoffers, professionals en burgers die allemaal iets willen leren over signaleren en beter kinderen en ouders opvangen.

Eén mevrouw had een kaart gemaakt en voor zichzelf geleerd dat wanneer zij nu een kind zou ontmoeten, dat zij dan contact zou maken en dóór zou vragen. Vooral het contact maken ontroerde me diep. Dat is een verlangen dat je zo hebt als je als kind zo eenzaam bent en geïsoleerd.

Na de tweede dag liepen mijn partner en ik naar buiten. Er was opeens een auto met panne midden op een kruispunt in hartje Rotterdam. Zoals Alexander is, liet hij alles vallen en sprong de straat op om te helpen en duwde de auto aan. De auto hortte en stootte en spurtte een dot rook uit en pruttelde de weg weer in. Normaal zou ik in een hoge stresspiek schieten maar nu niet. Ik stond er met laptop, tas, spullen en schoot in een ontspannen lach.

Ruimte vergroten door te luisteren

De derde dag begon met een verhaal van Houra. en later het verhaal van Jan-Willem. Eens te meer merkte ik, dat elkaars getuige zijn helpt in het kracht geven. Maar nog meer, met dat onze ruimte groter wordt, de ruimte van het kwaad, van de dader kleiner wordt. De kennis immers over wat niet goed is, hoe het niet moet in de opvoeding, met kinderen, wordt vergroot. En zo vergroten we de kans, dat andere kinderen of gered worden, of eerder de juiste hulp ontvangen.

Af en toe had ik tijdens deze drie dagen het oude gevoel dat ik niet erbij mocht horen of het allemaal niet van betekenis was, maar dat is me niet gelukt. Het was zo’n bijzondere plaats. Er waren zulke bijzondere mensen, zoals Maaike van de Graaf, de organisator, die alle overlevenden van geweld in het middelpunt stelde. Het gaf mij niet alleen een heel dankbaar gevoel dat de kracht en inspanning die ik geef ondanks mijn kwetsbaarheid gezien is. Het gaf mij ook een heel bijzonder gevoel van integratie van het kwetsbare in mijzelf.

Géén slachtoffer

Ik zal het uitleggen. Eén van de kunstenaars, Joyce, kon er om persoonlijke redenen niet bijzijn. We hadden echter tijdens de driedaagse wel veel contact en ik appte haar de laatste dag over hoe bijzonder alles was en ze schreef: maar Esther, jij BENT geen slachtoffer. .. Dit zinnetje vatte alles samen. Het was net of ik een oude jas uitdeed (bijbels beeld), de oude jas van het slachtofferschap, en een nieuwe jas aandeed, namelijk van de hele geïntegreerde Esther. Dit ben ik. Esther, ik ben GEEN slachtoffer (meer).

Ik ben veilig.

Misschien dat ik met dit gevoel wethouder Sven de Langen van gemeente Rotterdam langs de tentoonstelling heb kunnen rondleiden. Je kunt al die ellende hebben meegemaakt. Met dat je met deze tentoonstelling hebt meegedaan, of je verhaal hebt verteld, zet je een stap in de vrijheid. Mag je zijn wie je bent en is jouw ruimte in deze wereld groter geworden! Jij bent er en je wordt vrij.

 

 

 

 

 

R7

 

 

Ziek van Trauma

verschenen in: Tijdschrift voor Psychotherapie, 2018, 44(2) – 1 Forum

Personalia

Veerman, Esther : jeveerman@gmail.com

Esther Veerman is theoloog, kunstenaar en oprichter van stichting Kunst uit geweld http://www.kunstuitgeweld.nl, Vriezenveen. Zij is auteur van het kunstboek: Nooit meer Kwijt (2006). Een verzameld boekje met schilderijen, tekeningen en gedichten over een indringend verleden van seksueel misbruik in de kindertijd. Onlangs ontwikkelde zij het kaartenproject: Een Kaart voor elke Dag. Deze set van 72 kaarten is bedoeld voor mensen die ingrijpende ervaringen hebben meegemaakt als steun in de rug, verkrijgbaar via de website van de Stichting.

chronisch ziek

Chronisch Ziek – 2017, Mixed Media, Esther Veerman

“I am not what happened to me, I am what I choose to become” Carl Gustav Jung

Samenvatting

Mensen die te maken hebben met (ernstige) traumatisering in de (vroege) jeugd kampen vaak ook met chronische lichamelijke klachten. Gezien de doorwerking van stress op zowel lichaam als geest zou een multidisciplinaire aanpak aanbevelenswaardig zijn. Door het delen van een ervaringsverhaal trekt de auteur lijnen tussen haar geschiedenis van trauma en de vele lichamelijke klachten die zij later ontwikkeld heeft. De vragen die zij zichzelf daarbij stelt komen wellicht van pas bij een verdere doordenking van zowel chronische traumatisering als chronische ziekte en mogelijkheid voor herstel.

Abstract

People who struggle with (severe) trauma early in life, often have to deal with chronic physical complaints. Since stress has a major impact on the body as well as on the brain, a multidisciplinary approach to treatment would be recommendable. By sharing her own story the author connects her history of trauma with the many physical complaints that she developed later in life. The questions she asked herself during this process may help in further consideration of chronic trauma, chronic disease, and the possibilities for recovery.

Inleiding

Mensen die chronische ervaringen van huiselijk en/ of seksueel geweld uit hun vroege jeugd meedragen ervaren op latere leeftijd vaak veel psychische gevolgen. Daarnaast worden er in de literatuur en door ervaringsdeskundigen ook lichamelijke gevolgen gerapporteerd. In dit artikel wil ik aan de hand van mijn eigen ervaringsverhaal ingaan op de gevolgen van het geweld in mijn vroege jeugd voor mijn ziekte(geschiedenis). De vraag die ik stel luidt: als er aandacht is voor zowel de psychische gevolgen als ook de lichamelijke gevolgen van chronische vroegkinderlijke traumatisering en er goede multidisciplinaire behandeling wordt ingezet, is het dan mogelijk om de gevolgen te reduceren en lijden op de lange duur te verminderen?

Ervaringsverhaal

Een jong meisje was ik nog maar toen ik te maken kreeg met ernstige mishandelingen door beide ouders. Seksueel misbruik door mijn vader en lichamelijke mishandelingen door mijn moeder. Zo kwam het dat ik al  op jonge leeftijd de kinderarts bezocht samen met mijn moeder. Al jong had ik het af en toe Spaans benauwd. Ik moest naar fysiotherapie, en ik noemde hem de Klopper, omdat hij door middel van tapotage slijm zou moeten losmaken.  Maar ik kwam rood aangedaan bij hem vandaan en voelde me naar. Misschien lag de oorzaak meer bij het feit dat ik al jong tussen de middag samen met mijn vader naar huis moest komen tussen de middag uit school. Om twaalf uur liep ik van school de winkelstraat in naar de winkel waar mijn vader filiaalhouder was. Daar gebeurden dingen die het daglicht niet konden verdragen. Ik was nog maar net zes jaar oud. Op de fiets naar huis had ik en geen kracht meer in mijn benen maar ook geen lucht meer in mijn longen.

Als ik eenmaal thuis was, werd ik ziek. Ik werd misselijk en moest braken. De emoties werden me veel teveel; dat kan ik nu ik erop terugkijk wel navertellen maar toen niet. Toen was ik alleen maar ziek. Mijn hoofd en lichaam waren geen eenheid in die periode van overleving. Ik voelde me ziek, maar had niet in de gaten dat ik me zo rot en ziek voelde door de dingen die mis gingen binnen het gezin. Voormij als kind was dit het gewone gezinsleven. En voor de buitenwereld leek alles volkomen normaal. Huilen durfde ik al helemaal niet. Ik denk dat ik als kind veel tranen in mijn ogen die er niet mochten zijn heb proberen weg te wrijven. Vaak had ik ontstoken ogen, of waren mijn ogen helemaal dicht van het eczeem. Ook begon ik met automutileren. Eerst schuurde ik maar een beetje met mijn schoen over mijn enkel en duwde zo de spanning en pijn weg.

Maar allengs werd het erger. Telkens als er ’s nachts dingen gebeurden greep ik een schaar en schuurde de huid van mijn armen en benen totaal kapot. Geen sneden maar afgeschuurd vel. De pijn verplaatste als het ware de verschrikkelijke interne pijn en spanning en de uitputting volgde erna.  Moeder bleef het steevast eczeem noemen. Alle doktoren in het Noorden van het land werden om die reden wel opgezocht. Zodra er vragen werden gesteld moest ik naar een volgende dokter toe. Het misbruik ging over naar huis toen ik een kamertje alleen kreeg en mijn zus op kamers ging. Ik was nog maar tien. Klein als ik was, stopte ik het misbruik in vakjes in mijn hoofd die zo goed mogelijk op slot gingen, zodat ik toch overdag gewoon naar school kon gaan en waar mogelijk nog een beetje kon spelen. Met een moeder, die perfectionistisch en zeer veeleisend was, en ook nog losse handjes had als je een minuscule fout maakte, was een normaal leven welhaast onmogelijk. Daarnaast moesten wij als kinderen top presteren en zo heb ik ook nog het Gymnasium gehaald zonder maar één keer te blijven zitten. In deze periode breidde het misbruik zich nog uit tot derden en heb ik veel gezien en nog meer meegemaakt dat te verschrikkelijk is voor een kind om mee te maken.

Ik merkte gedurende mijn hele leven dat ik enorm stram was. Ik kon als klein kindje al niet meekomen met de gymnastiek lessen. Ik herinner me bijvoorbeeld een keer dat ik tot boven aan het klimrek moest klimmen en dat ik opeens me afschuwelijk bewust was dat de gymnastiek leraar me van onderen kon zien. Daarop kreeg ik een vreselijke trigger.  Ik was misschien zeven jaar oud. Ik stond te bibberen bovenaan het klimrek en ik kon met geen mogelijkheid meer naar beneden. Hij stond maar te roepen en gebaren dat ik naar beneden moest komen. Uiteindelijk lukte het om te gehoorzamen, hoewel mijn lichaam me bijna in de steek liet en ik steeds bang was om te pletter te vallen. Dat stram zijn breidde zich uit. Sowieso was ik angstig, eigenlijk voor alles wat nieuw was. Maar ik had grote moeite met bijvoorbeeld het springen over een bok of een kast. Dan moest je je benen spreiden en dat kon ik eenvoudig niet. Ik dacht echt op zo’n moment niet aan het misbruik, dat had ik niet paraat.  Maar ik kon eenvoudig niet de benen spreiden. De benen waren als tangen aan elkaar geklemd. Er waren later wel gymleraren die bijna met geweld me over zo’n bok hebben gesleurd. Dat waren nare ervaringen.

De jaren op de Middelbare School bleef ik onopgemerkt. Ik gaf onbewust wel signalen af, zoals de automutilatie die naar buiten meer en meer zichtbaar werd. Zo werd ik het enige meisje dat op het Gymnasium een legging droeg tijdens de gymles. Toch werden er geen vragen gesteld. Tijdens lessen Engels schreef ik een gedicht waarin ik schreef over een “vertrapt Zelf”, maar ik herinner me nog, dat ik echt niet begreep waarom ik juist die specifieke woorden op moest schrijven. Deze lerares heeft ooit wel gevraagd of ik me wel goed voelde en ik haastte me om “goed” te zeggen. Dat was alles wat er ooit met mij gecommuniceerd is in die periode van mijn leven over mijn welzijn.

Tijdens mijn studie theologie leek het heel goed met me te gaan. Het feit dat ik uit huis was gegaan leek me lucht te geven en bewegingsvrijheid. Wanneer een onverwachte soms maar kleine gebeurtenis, geur, smaak of reactie van iemand – ook wel een trigger genoemd – mij plotseling en onbewust deed herinneren aan de ervaringen van vroeger, kon het compleet misgaan. Een voorbeeld daarvan was een college psychologie waar een film werd getoond  waarvan ik de inhoud niet eens meer heb onthouden. Waarschijnlijk ging het over euthanasie of een dergelijk indringend thema. Opeens had ik het gevoel dat ik doodging en vluchtte uit de collegezaal. Mijn hart ging tekeer en ik kreeg geen lucht meer. Toen ik enkele dagen later me liet onderzoeken door een huisarts en die mij vroeg mijn bh uit te doen om naar mijn hart te luisteren, was ik ervan overtuigd dat hij mij wilde misbruiken.  Ik werd razend van binnen. Ik begreep niets van goede zorg of wat goed en fout was. Ik was compleet in de war. Maar het ergste was dat ik het gevoel had dat mijn lichaam mij had verraden: immers, als ik geen  “hartaanval” had gehad, was die dokter niet over mijn grenzen gegaan..

Enkele jaren later was ik in verwachting van mijn eerste kind en hoe blij en gelukkig ik was tijdens mijn zwangerschap, zo dramatisch verliep de bevalling: ik had geen idee hoe ik de weeën moest opvangen en ik was er ook enorm fobisch voor. De pijn in de schaamstreek leek teveel op het herbeleven van de talloze verkrachtingen die ik had geleden in mijn kindertijd. En het kwam allemaal als in een tornado terug. Het viel als het ware op mij.

Na de bevalling raakte ik in psychoses waarin die beelden als in nachtmerries uitvergroot terugkwamen; zij overvielen mij voortdurend. overvielen. En mijn lichaam gaf talloze herinneringen terug. Soms was ik verlamd, dan weer helemaal verstijfd. Soms was ik kotsmisselijk en dan had ik weer enorme steken in mijn onderrug. Het was bijna teveel om op te noemen. Opnames in de psychiatrie volgden, eerst met mijn baby, later zonder. Het verdriet om mijn kind achter te laten is bijna niet te beschrijven en een trauma in zichzelf. Maar, om beter te worden, moest ik ook die prijs betalen. De – voor mij – vreemde symptomen bleven elkaar afwisselen. Vaak als het tegen de avond liep en de deuren op slot gingen kreeg ik een hevige drang om te vluchten. Het gevoel opgesloten te worden greep me zo zeer naar de keel dat ik hevig ging beven en geheel verkrampte. Mijn benen op topspanning en alles in mij leek te roepen dat ik weg moest van waar ik me op dat moment bevond.

Op andere momenten kon opeens het gevoel ontstaan alsof ik in een diepe put belandde en ik de werkelijkheid alleen vanuit die diepe put kon beleven.  In feite waren mijn spieren dan verslapt en mijn ogen dicht en ademde ik alleen nog oppervlakkig. Maar in de verte hoorde ik nog wel wat er tegen me werd gezegd, ik kon er alleen niet meer op reageren. Jaren van opnames en therapie volgden. Uiteindelijk heb ik na veel wanhopige pogingen om hulp te vragen een diagnose gevraagd aan een specialist op het terrein van de gevolgen van vroegkinderlijke. chronische traumatisering. Hij constateerde dat ik leed aan DIS, Dissociatieve Identiteitsstoornis

Jaren van intensieve fasegerichte traumatherapie volgden. Tegelijkertijd waren er ook veel lichamelijke ongemakken. Eerder al toen ik dertig jaar was, gingen mijn ogen erg achteruit. Ik kreeg keratoconus, een ernstige aandoening waardoor mijn hoornvlies degenereerde. Uiteindelijk had ik een hoornvliestransplantatie in mijn linkeroog nodig en in mijn rechteroog een operatie om te voorkomen dat het hoornvlies verder achteruit zou gaan. Daarnaast kreeg ik steeds meer pijnklachten, zoals ernstige pijn in mijn benen en rug. Aangezien ik een lange traumageschiedenis had, werd lang gedacht dat het “tussen de oren” zat en er medisch gezien weinig aandacht aan geschonken. Een huisarts die mij behandelde verwees veelvuldig naar de bijwerkingen van mijn lange lijst psychofarmaca en zei steevast dat het wel zou gaan om een bijwerking van een medicijn. In die tijd belandde ik enorm vaak met klachten op de eerste hulp. Het frustrerende was, dat door mijn onzekerheid en angst voor mensen in het algemeen en inmiddels ook voor artsen, ik niet in staat was om mijn klachten goed aan te geven. Frustrerend voor de arts die mij behandelde maar vooral voor mijzelf en mijn naasten. Vaak kwam ik nog slechter terug van het ziekenhuis dan ik erin ging, en volgde daarna een opname in de psychiatrie.

Een decennium en veel lijden later kwam ik pas bij een pijndokter terecht die een MRI liet maken van de onderrug. Er bleek een dubbele hernia te zijn en een scoliose, maar de arts benoemde dat veel pijn in mijn bekkenbodem trauma-gerelateerd was. Het leek alsof het lichaam haar herinneringen terug ging geven. In overleg met de dokter van de pijnpoli kwam ik onder behandeling van een bekkenbodemfysiotherapeut. Daar bleek dat een deel van de pijnproblematiek gerelateerd was aan een constante spanning in het bekkenbodemgebied. Maar iedere oefening, zoals ademhalingsoefeningen, om het gebied te ontlasten, ontaardden in hevige re-ensceneringen van stukken traumageschiedenis.

Kort daarvoor had ik al een traject doorlopen waarin ik voortdurend dacht dat ik niet naar het toilet kon omdat ook dat “tussen mijn oren” zat. En ik gaf mezelf daar voortdurend de schuld van. Eind van het verhaal was een plotselinge opname in het ziekenhuis met een totale incontinentie. Wat voor mij duidelijk werd in deze fase van mijn leven was dat ik de symptomen van mijn lichaam serieus moest  leren nemen. Ik moest leren om psychosomatiek niet met aanstelleritis te verwarren.

In mijn dagelijks leven merk ik vaak dat vooral mijn spraakcentrum snel onder druk komt te staan. Wanneer ik ook maar lichte stress ervaar, kan ik geen woorden meer vinden voor de meest eenvoudige dingen die ik wil uitleggen. Zodra ik stress ervaar, kan ik door de opkomende emotie, al sluimert die in mijn onderbewuste, het woord niet meer uitspreken. Het komt als het ware niet meer voorbij mijn begrippenkader. Ik “zie” het woord niet meer voor me en kan het daarom geen vorm en klank meer geven. Als de stress voorbij is kan ik weer vlot en voluit spreken. Dit is een vervelende handicap die mij al veel in de weg heeft gestaan en waardoor ik bijvoorbeeld ook geen lezingen uit mijn hoofd kan houden. Vroeger dacht ik altijd dat ik dom was, nu weet ik dat het een trauma-gerelateerd probleem is en heb ik begrip voor mezelf, dit helpt enigszins om te gaan met deze beperking.

Waar ik naar toe wil met mijn verhaal is het volgende: ik heb de laatste jaren uitstekende integratieve traumatherapie ontvangen en er is iets opmerkelijks gebeurd. Eerder had ik regelmatig last van ernstige exacerbaties van mijn astma en kwam ik regelmatig terecht op de Eerste Hulp van het ziekenhuis. Zoals ik al omschreef heb ik een moeizame weg moeten gaan met het leren onderkennen van de lichamelijke symptomen van mijn lichaam en moeten leren begrijpen wanneer iets psychosomatisch dan wel alleen somatisch is. Daarvoor ben ik maar gewoon zelf aan artsen (vooral de huisarts) gaan vragen om mij te helpen differentiëren tussen wanneer een klacht psychosomatisch dan wel somatisch is. Voor sommige klachten kan dat immers gelden, zoals benauwdheidsklachten, maar ook angst-gerelateerde klachten en sommige pijn-stressklachten. Gelukkig heb ik op dit moment een goede verstandhouding met mijn huisarts en durf ik meer ook de overweging met hem te bespreken of hij mij wil helpen differentiëren bijvoorbeeld bij benauwdheid: zou de benauwdheid komen van angstaanvallen, of ben ik benauwd als gevolg van bijvoorbeeld een beginnende longontsteking? Ik besef dat het niet altijd makkelijk te onderscheiden is, maar ik vind het wel prettig om dat zo openlijk te kunnen bespreken.

Het laatste jaar heb ik daarin uitdrukkelijk moeten ontdekken hoe ook het lichaam haar eigen herinneringen heeft opgeslagen en teruggeeft. Zo heeft de arts van de pijnpoli, een kundig anesthesioloog, mij opmerkzaam gemaakt op de grote spanning in mijn bekkenbodem. De chronische stress heeft zich veelal daar ook opgeslagen met gevolgen voor mijn onderrug, problemen met de ademhaling, maar ook dingen die anderen als vanzelfsprekend ervaren zoals de zelfsturing van mijn onderlichaam, met alle gevolgen voor de spijsvertering en urinewegen. Voor mijzelf viel er zoveel op z’n plek. Al die vreemde lichamelijke klachten bleken voor een groot deel terug te voeren op de stress. Naast al deze mechanische klachten blijk ik ook veelvuldig vatbaar voor indringers als virussen en bacteriën. De artsen geloven inmiddels ook dat de chronische stress effect heeft op mijn algehele conditie en dat al gedurende vele jaren.

Ondanks al mijn klachten en problemen ben ik een steevast gelovige: ik geloof in het tot rust komen door de integratie van geest en lichaam; hoe meer het mij lukt om mijn trauma’s te integreren en tot mijn geschiedenis te maken. Ik geloof in het belang van het besef, dat het mij overkomen is: ik had als kind enorme pech. Dat is niet zomaar een opmerking maar een belangrijke integratieve constatering die ik heb mogen leren gaandeweg mijn traumatherapie. Ik had geen schuld aan al deze vreselijke zaken die mij overkwamen, het was niet omdat ik zo’n naar kind was, of omdat ik niet gehoorzaam genoeg was of wat niet al. Nee, ik had de enorme pech om in dat gezin geboren te zijn. Nu denk ik: het is niet anders, maar ik ben er nog.

Als ik kijk naar het proces om terug te komen in het leven, zie ik een aantal lijnen lopen waar ik heel dankbaar voor ben. Mijn partner die van het begin naast me heeft gestaan, zo veel met mij heeft meegemaakt en er nog steeds is. Als kind al zag ik engelen die mij hielpen om uit de situaties van trauma weg te komen naar een veilige plek. Na veel nare en slechte, soms opnieuw traumatiserende ervaringen vond ik twee maal op rij geweldige traumatherapeuten die mij bijstonden en mij de weg wezen naar veilige plekken in mijzelf.

Het niet kunnen praten als gevolg van de traumatisering is nog een ander “ding”. Al van jongs af aan heb ik getekend en geschilderd. Veelal wist ik niet waar het tekenen over ging. Het waren werkelijk onbewuste processen. Zo heb ik op mijn dertiende al achteraf gezien één van de daders afgebeeld. Ik had hem op de tekening afgebeeld alsof hij was doodgeschoten. Het kind in de tekening is schuldig aan het doden van de dader. Ik had als kind de schuld op me genomen, voor mij heel duidelijk werd dat ik zo de schuldvraag had omgedraaid. Ik voelde me al die jaren verantwoordelijk voor het geweld.

Later werd me steeds afgeraden om over de traumatisering te praten ook tijdens alle opnames in de psychiatrie, maar het voelde als een soort hevige onderstroom in mijn binnenste die eruit moest. En dus schilderde ik wat mijn onderbewuste me ingaf. Al die schilderijen stopte ik dan maar onder mijn bed. En ik zweeg erover. Gelukkig heb ik het later bij mijn integratieve traumatherapie allemaal nogmaals mee mogen nemen. En heel langzaam heb ik woord voor woord durven toevoegen aan de beelden. Ook dat was een doodgriezelig proces. Maar juist toevoegen van woorden aan de onbewuste processen gaf mij een stuk van mijn verwerking. En een stuk realisatie van mijn verleden. Het deed me beseffen wat ik had meegemaakt maar ook: het is voorbij. Dit is dus mijn geschiedenis.

Wat mij telkens beter lukt is om opkomende stress als gevolg van herbelevingen vroeger te signaleren, tot rust te brengen en te integreren. Dat gaat heel in het kort als volgt: er zijn beelden/herinneringen waar ik mee worstel die aandacht verdienen, vaak ontstaan door een trigger. Ik geef zo’n beeld – in mijn geval in de vorm van een kind-deel – zoveel mogelijk ruimte door het kind-deel in mijzelf te laten tekenen of iets anders te laten doen waardoor het zich kan uiten. Dan wordt duidelijk wat de diepste pijn is of moeite en als dat samen is beleefd, kan ik proberen het kind-deel te begeleiden naar de veilige plek die ik ook in mijn hoofd heb, de plek met de engelen. Zo integreer ik het kind-deel, met de pijnlijke herinnering en de emotie in mijzelf.

Inmiddels organiseer ik tentoonstellingen voor en met lotgenoten door heel Nederland. Daarnaast heb ik de laatste twee jaar een kaartenproject ontwikkeld waarin ik de negatieve kernovertuigingen die ik van binnen had ombuig in positieve kernovertuigingen. Ook dat heeft me enorm geholpen in mijn verwerking. Woorden als `ik ben schuldig’, ombuigen in `ik ben geliefd’. Ik heb schilderijen gemaakt die bij een dergelijk woord passen. En die kaarten zijn inmiddels uitgebracht. Al bij één mevrouw heeft de positieve kernovertuiging: `Ik mag mijn innerlijke kind troosten’ een doorbraak gegeven in haar therapie. Ik ben er enorm dankbaar voor. Ook dit lotgenotencontact helpt mij iedere dag verder in mijn verwerking van mijn eigen verleden.

Met het steeds meer integreren van de traumatische herbelevingen in mijn eigen bestaan en het zo integreren en herschrijven van mijn bestaansgeschiedenis, krijg ik meer en meer vat op wie ik ben maar ook op mijn hele leven, zowel psychisch als somatisch. Ik heb aanzienlijk minder crises, psychisch nagenoeg niet meer, en somatisch misschien wel 70 procent minder dan enkele jaren geleden. Het heeft me veel gekost maar ik ben erg dankbaar voor wat het me voor nu en de toekomst oplevert.

 

Discussie

 

In het ervaringsverhaal is duidelijk geworden dat vroegkinderlijke chronische traumatisering debet kan zijn aan een hoge dosis stress in het vroege leven maar ook later in het leven. Deze stress stopt niet in de kindertijd maar gaat latent door en blijft onderhuids doorwoekeren en zet zich als het ware vast in het lichaam om later toch weer te zorgen voor de nodige sores. Door mijn werk voor Stichting Kunst uit geweld ben ik met veel lotgenoten in contact gekomen. Mensen die aan mij hebben gerapporteerd dat zij worstelen met een onveilige jeugd en tegelijkertijd kampen met veel ziekte.

Wanneer ik een arts bezoek is het eerste dat ik nodig heb de hulp  bij differentiatie tussen somatiek en psychosomatiek. Het verdient kennis en aandacht van de kant van de zorgverlener voor ij als patiënt om samen te zoeken naar de oorzaak van een klacht. Zoals ik beschreef in mijn verhaal is dat verre van eenvoudig. Door mijn angst voor mensen in het algemeen en vele negatieve kernovertuigingen lukte het mij vaak niet goed mijn klachten te verwoorden.

Een probleem dat het extra moeilijk maakt is de spraak. Op momenten dat de stress toeslaat stopt bij mij het vermogen van de taal. Inmiddels begrijp ik door de uitleg van een van mijn traumatherapeuten dat het ook werkelijk een probleem van mijn hersenen is, waardoor de spraak stookt wanneer de stress toeslaat, maar het is een grote handicap. Dit heeft gevolgen voor welke praattherapie dan ook. Elke getraumatiseerde patiënt van PTSS tot DIS ondervindt deze gevolgen en zal vaak moeite hebben om onder woorden te brengen waar de pijn zit. Een en ander kan mogelijk met geduld en tijd – waar een module traumabehandeling voor PTSS onvoldoende resultaat heeft gegeven – opgelost worden.

Mijn therapeut had de creativiteit om hierop in te spelen. Uiteindelijk heeft het mij echt geholpen om woorden te geven aan de onbewuste processen. Daardoor kon ik een groot deel van mijn traumatische jeugd als mijn geschiedenis leren zien in plaats van als een nachtmerrie die mij telkens overviel.

De problemen met taal beperken zich echter niet tot de therapie maar spelen ook op bij de somatiek. Als ik bij een dokter kom en zenuwachtig ben kan ik niet uit mijn woorden komen. Daar komt nog het probleem bij van de dissociatie. Ik kan opeens ongevoelig zijn voor pij als ik zenuwachtig ben. Zo kan ik met een gebroken voet zomaar door een ortopeed naar huis gestuurd worden zonder krukken omdat hij de breuk en de pijn onderschat heeft.

Goed luisteren en aandacht van zowel de therapeut als de arts heeft mij telkens geholpen om mij in mijn autonomie gesterkte te voelen en ook om in mijn kracht te komen. Dit heeft mij de energie gegeven om meer zelfredzaam te worden, voor mijzelf op te komen en om wegen te zoeken en te vinden om tot oplossingen te komen voor mijn problemen. Tegenwoordig vertel ik aan de arts dat ik een geschiedenis heb van trauma in de jeugd, zonder op details in te gaan. Dit helpt mij om heel in het kort iets te zeggen over mijn angsten en de arts de gelegenheid te geven rekening te kunnen houden met het gegeven van mij als patiënt en de mogelijkheid van stress of angst, zowel bij de handelingen hij of zij gaat verrichten of de mogelijkheid van psychosomatiek in het klachtenpatroon.

Een multidisciplinaire benadering voor overlevenden van chronische vroegkinderlijke traumatisering zou, lijkt mij , zinvol kunnen zijn ten einde het lijden te verminderen en om te komen tot een verbeterde gezondheid. Mijn verhaal laat zien dat binnen een integrale traumatherapie aandacht dient te zijn voor de somatische kant van mij als  patiënt. Tegelijkertijd zou de medische wereld meer oog moeten krijgen voor de psychische kant van een somatische aandoening en zo zouden beide hand in hand uiteindelijk klachtenvermindering kunnen opleveren.

Stel, dat de longarts in contact met de patiënt en de psycholoog tot een beter behandelplan kan komen en misschien een behandeltraject kan bedenken voor de patiënt dat zowel een beter herstel als ook uiteindelijk kostenefficiënter is, dan is iedereen erbij gebaat. Andersom, stel, dat de longarts een behandeling voorstelt bij een patiënt en die behandeling slaat niet aan, zou het dan kunnen zijn dat een verleden van vroegkinderlijke chronische traumatisering de genezing belemmert?

Deze complexiteit die voortkomt uit PTSS en in mijn situatie DIS en de combinatie van veel problemen met psychosomatiek en somatiek leidde er toe dat ik met mijn huisarts heb overlegd of het zin zou hebben een casemanager in te stellen voor mijn situatie. Iemand die zou helpen mijn lichamelijke gesteldheid te monitoren en zou helpen met artsen in een multidisciplinair team te overleggen, en mij zou helpen als ik vragen zou hebben zo, waar nodig, zou helpen medische fouten te voorkomen. Wellicht zou er veel gewonnen kunnen worden als een dergelijke casemanager er wel zou komen.

Wat ik zelf het meest ideaal zou vinden, maar wat denk ik nog nooit is onderzocht , is wanneer er binnen een algemeen ziekenhuis een arts zou zijn, bijvoorbeeld een internist, die samen met de behandelend psycholoog en de huisarts een multidisciplinair team zouden vormen. Mocht ik als patiënt dan vragen hebben met betrekking tot een nieuwe klacht, dan zou ik die ook misschien via mail aan een van hen kunnen voorleggen.

Het voordeel voor mij als patiënt is dat artsen van het multidisciplinair team mij dan kennen. Zij weten dan bijvoorbeeld ook dat ik soms niet uit mijn woorden kan komen, tijd nodig heb. En dat ik af en toe klachten flink kan bagatelliseren of ongevoelig kan zijn voor pijn. Zij kunnen ook collega’s vertellen over mij als complexe patiënt. Medische fouten zouden zo misschien in de toekomst voorkomen kunnen worden, ook wat betreft de omvangrijke medicatielijst.

Ik ben hierin niet uniek. Ik weet dat ik spreek voor een grote groep lotgenoten. Met regelmaat vraagt iemand mij hoe zij bijvoorbeeld als getraumatiseerde bij een lichamelijk onderzoek aan de arts duidelijk kan maken dat zij zo bang is en dat daardoor de klachten alleen maar verergeren? Bij mij heeft de traumatherapie en de aandacht die ik zelf vraag voor de psychische kant bij de reguliere arts geleid tot betere zorg en vermindering van crisisopnames op de eerste hulp.

Tot slot nog dit: geduld en uithoudingsvermogen zijn  van groot belang van de kant van zowel de zorgverlener als van de patiënt. Een goede integratieve traumatherapie in samenspraak met een empathische huisarts en specialist zou wellicht een positieve slag kunnen maken voor de gezondheid van iemand met de complexe problematiek van vroegkinderlijke chronische traumatisering. Geloof in de kracht van de mens is daarvoor voorwaarde.

Een Kaart voor elke Dag

Ingrijpende ervaringen

Wat voor anderen zo gewoon lijkt kan voor iemand die ingrijpende ervaringen heeft meegemaakt een hele opgave zijn. Voor mij zijn heel gewone dagelijkse dingen als een praatje maken bij de kassa in de winkel of een gesprekje bij de uitgang van de kerk enorm moeilijk zijn. Een normale conversatie aan tafel als er gasten zijn is voor mij iets waar ik tot voor kort buitengewoon tegenop kon zien. Het zijn zomaar wat voorbeelden van zaken die bij mij heel veel spanning kunnen oproepen. Het heeft alles te maken met de traumatisering die ik als kind heb meegemaakt.

Negatieve Kernovertuigingen

Lang heb ik geprobeerd de herinneringen aan de traumatische ervaringen uit mijn kinderjaren weg te drukken en juist in het dagelijks leven merkte ik dat ik anders was. In het gewone alledaagse reageerde ik soms tot mijn eigen verbazing plotseling zo angstig of totaal verlegen met de situatie. Het maakte dat ik me meer en meer terugtrok uit groepen, zelfs als ik eerst wel enthousiast ergens in was gestapt. Het ontbreekt me namelijk niet aan een eerste enthousiasme, maar wel aan het gevoel er ook echt bij te mogen horen. Als het erop aan komt bekruipt me vaak het gevoel: ik mag hier niet zijn, ik hoor er niet bij, niemand wil mij, ik moet weg, en meer van dergelijke negatieve kernovertuigingen.

Wonden

Soms door een onbedoelde opmerking van een omstander, soms door een rechtstreekse vraag kan ik zomaar onderuit gaan. Niemand ziet het aan mij, het gebeurt allemaal van binnen in mijn hoofd en in mijn lijf. Het zijn de oude wonden die plotseling opengemaakt worden en die mij van binnen wankel maken en me in mijn schulp doen kruipen. Dat oude zeer heeft me lange jaren in de greep gehouden, ook, en dat vinden mensen vaak moeilijk te begrijpen, omdat de ellende die mij is aangedaan zoveel jaar heeft geduurd. Het kost gewoon veel tijd en geduld om dat weer uit je systeem en je lichaam te krijgen. Als je als kind gaat geloven dat je nergens voor deugt, en niets waard bent, en je dat je lange jaren tot in je volwassenheid meesleept, dan gaat het in al je cellen zitten. Bij mij wel in ieder geval. Het voelt bijna alsof het mijn genen ging bepalen en ziekte veroorzaakte. Die wonden zitten diep.

Op weg naar herstel

Toch heb ik het er nooit bij laten zitten. Ik wilde altijd vooruit. De laatste jaren is dat ook beter gelukt. Door alle diepte heen zoekend naar Licht. Er was voor mij maar één weg: er dwars doorheen. Samen met mijn therapeut en met de steun van mijn partner heb ik die weg kunnen afleggen. Alleen had ik dat niet gekund. Het is vaak een eenzame weg, maar de beloning is groot. Want ik heb ontdekt dat ik minder bang ben geworden. Dat ik steeds meer vrijheid durf te ervaren en dat ik gaandeweg heb ontdekt dat sommige mensen te vertrouwen zijn, dat ik nu wel sommige mensen zo vertrouw dat ik hen vrienden durf noemen en dat ik me niet meer zo raar voel als ik me tussen een groep mensen begeef. Ik krijg iets meer zelfvertrouwen. Bovenal durf ik meer en meer de moeder en vrouw en vriendin te zijn die ik zo graag wil zijn.

kaartenproject10

Kaartenproject

Zo ben ik aan een kaartenproject begonnen twee jaar geleden. Geïnspireerd door een diverse kaartspelen en projecten ben ik gaan tekenen en schilderen. Ik heb me laten inspireren door teksten, heb ze geschreven of ontvangen van mijn therapeut. Deze teksten heb ik laten toetsen door professor Onno van der Hart voor dit project. Het was rustgevend om met dit positieve project bezig te zijn. Zeker in combinatie met mijn therapie merkte ik hoezeer het oefenen in positieve kernovertuigingen mij heeft geholpen om langzaam de oude kernovertuigingen te laten slijten en in te ruilen voor de goede overtuigingen als: ik ben geliefd, .. ik mag verdrietig zijn, .. sommige mensen kan ik vertrouwen, aan hen kan ik mijn verhaal doen.

 

kaartenprojectvoorkant

Ik ben dankbaar en blij dat het project af is en de prachtige set “Een Kaart voor elke Dag” nu  beschikbaar is voor iedereen. Het is te verkrijgen via de website van onze Stichting Kunst uit Geweld www.kunstuitgeweld.nl voor slechts €10,00

Thuiskomen in jezelf

Ontheemd
Door de jaren heen is het vechten om te overleven na een traumatische jeugd het belangrijkste geweest. Het leven heeft voor het grootste deel in het teken gestaan van doktersafspraken. Niet alleen vroeg het overbelaste brein voortdurend om directe actie maar ook het lichaam droeg schrijnende sporen van de voortdurende disbalans. Daaronder echter dreef als het ware een rivier van onthecht en ontheemd zijn. Bij mij gemixt met stemmen die in mijn hoofd zeiden dat ik er niet toe doe en er zeker ook niet bij hoor. Ik bedoel: bij de mensen. En dan niet vaag, maar nee, heel letterlijk. In de meest letterlijke zin van het woord.
Er niet bij horen
Een paar mensen reken ik wel tot lieve vriendinnen, al schroom ik wel om mezèlf vriendin te durven noemen. Maar sommige mensen hebben het aangedurfd om het met mij uit te houden door de jaren heen. En dat betekent dat zij zich niet hebben laten wegsturen wanneer ik zei: ach je moet maar niet meer komen, want wie wil mij nou. Dan hoorde ik namelijk een stem in mijn hoofd die zei: “niemand wil jou, hoor je! Niemand! Jij deugt niet hoor je!” En meer van die zinnen en dat aan één stuk door. Ik kon dan niet geloven dat ik ergens bij hoorde, of dat iemand het met mij uit zou kunnen houden. Door alle schroom heen bibberde ik dan toch nog door de telefoon: “ik vind het fijn dat je komt.” Zelfs al wilde ik het liefst meteen de andere kant oprennen en mezelf iets aandoen. Ik mocht er niet bij horen. Diep van binnen niet, omdat ik door het misbruik wel had geleerd: je bent niets waard.
Buiten- en binnenkant
Zo leerde ik dat iets organiseren of er voor een ander zijn een stuk makkelijker is dan om het uit te houden in mezelf en met mezelf. Nu ik verder genees moet ik beginnen aan dit laatste avontuur en dat is: oog hebben voor de behoefte om zelf te mogen ontvangen. Zo is er een buitenkant die presenteert, lezingen geeft en voorlichting over de gevolgen van huiselijk en seksueel geweld. En er is een kwetsbare ik, die thuiskomen in mezelf zo ontzettend eng vindt, dat het vluchten tot over de grenzen van deze werkelijkheid vaak nog als enige optie zie. En nu moet ik proberen om die optie om te keren en te verruilen voor de betere: het uithouden in het hier en nu.
Het hier en nu als meest echt
Sommige mensen leven in de toekomst: dromen dromen en verten zien. Dat kan mooi zijn maar ook een vlucht. Ik heb ontdekt dat leven in het verleden al is die nog zo verschrikkelijk ook een optie is om te overleven. En nu leren leven in het hier en nu, met alle onzekerheid die daarbij hoort, vind ik echt heel moeilijk. Het betekent dat ik de ander tegenover mij in de ogen kijk en het uithoud bij hoe de blik is in die ogen. Als het om mijzelf gaat, kijk ik altijd weg. Ik ben bang om de reactie op mijzelf te zien in de ogen van de ander. Ik kan het niet aan als iemand bewogen is om mij, het is al teveel met mezelf. Ooit was er een collega die kapot ging bij mijn verhaal. En ik dacht: tjonge meid, houd op, want ik kan mezelf niet uit de put trekken laat staan jou erbij! Ik had het nodig dat degene, die mij bijstond, het uit zou houden bij mijn verhaal. En dat konden maar weinig.

 


Thuiskomen
Gaandeweg ben ik gaan oefenen de afgelopen maanden. Met reacties van mensen. Op vakantie ontdekte ik dat mensen aardig tegen me waren. Ik had de neiging om achterom te kijken. Waren ze nou aardig tegen míj? Ik ben gaan oefenen met sociale situaties. Ik ben ze verleerd en moet het leren op mijn negenenveertigste. Spreek vaker af met vrienden voor een kopje koffie. Ga met schroom op verjaardagsbezoek al laat aan de stem in mijn hoofd zien die zegt dat ik niet welkom ben: kijk, hoe liefdevol ik ontvangen ben? Ik neem de tijd, zoals ’s morgens als ik de kippen van hun nestje til en ze eerst even aai. Dan praat ik tegen ze: “Goedemorgen, moet ik jullie van je nestje tillen? Zitten jullie alweer te broeden? En er ligt niet eens een ei onder? ?” Dan heb ik het gevoel van thuiskomen. En zoals mijn therapeut het tekende op de veilige plek. Tot rust mogen komen. Iemand die veilig is, zit naast mijn bed als ik ziek ben. Charly en Flower liggen naast en onder het bed. Een vogel zingt op een tak. Er staan bloemen en een engel waakt over ons. Er schijnt licht.IMG_20170704_092144

voortijdig afbreken

Jaren geleden maakte ik het schilderij “Closed Environment” oftewel, “Gesloten Afdeling”, een uitdrukking van hoe ik mij voelde tijdens de telkens terugkerende crisisopnames die mij keer op keer overkwamen in de reguliere psychiatrie. Het is moeilijk om woorden te geven aan de verlammende gevoelens van beklemming en gevangenschap, niet alleen de letterlijke opsluiting, maar vooral ook de emotionele eenzaamheid en verlatenheid die ik dan ervoer.

Mijn partner heeft vele voetstappen gezet om mij op te zoeken achter de onherroepelijk gesloten deuren, maar verder moest ik het vaak doen met de gezichten van de begeleiding daar. Als je zo lijkt het uitzichtloos psychiatrisch patiënt bent, houden mensen het niet met je vol. En verplegend personeel gaat zich navenant opstellen. Mij is meerdere keren gezegd, dat ik maar niet moest denken ooit beter te worden, en dat ik altijd wel psychisch ziek zou blijven.

Toen ik nogmaals een ultieme poging deed voor een second opinion na twaalf jaar uitzichtloze psychiatrie werd me te verstaan gegeven dat juist ik me er maar niets van moest voorstellen. Ik had ook al zoveel zelfmoordpogingen gedaan. Ik klampte me echter aan deze strohalm vast. Ik MOEST het nog eens proberen.
Uiteindelijk kreeg ik TOCH hulp, geweldige hulp. Een zeer complexe diagnose, de Dissociatieve Identiteits Stoornis, leek als enig juiste diagnose bij mij te passen en dr. Ellert Nijenhuis wilde me proberen te helpen.

Ik ontdekte dat ik met mijn brein had geprobeerd al die jaren te overleven vanuit een zeer traumatische jeugd. Ik kreeg voor het eerst van mijn leven handvatten om uit de chaos van mijn hoofd en lichaam weg te komen. Helaas ging mijn therapeut uit Nederland weg voor zijn werk en ik kreeg een andere therapeut. Ook hij ging na een paar jaar, gedwongen door de bezuinigingen en alle druk vanuit de zorgverzekeringen ander werk doen, maar beloofde dat ik met hem als therapeut mee zou mogen om mijn therapie af te maken.

Dat jaar ging het ook voorspoedig met het psychische herstel. Langzamerhand kwamen steeds meer traumatische delen van de persoonlijkheid aan het licht en durfde ik steeds meer woorden te geven aan de vaak zeer traumatische inhoud van mijn verleden. En heel langzaam merkte ik dat mijn angsten afnamen en ik in het dagelijks leven meer ruimte kreeg om te leven in vrijheid zonder angst. Lichamelijk hadden de jaren hun tol geëist en was het een uitputtingsslag geweest. Het lichaam heeft zo haar eigen herinneringen en ik moest gaandeweg leren om ook die symptomen serieus te nemen en niet af te doen als psychosomatisch.

Totdat de baas van mijn therapeut na wat rekensommen opgelegd door de zorgverzekeraars besloot de stekker uit mijn therapie te trekken. Berry moest maar gewoon al zijn tijd aan de opname-afdeling besteden en die langdurige traumapatiënten moesten maar weg. Daar was ik er één van.

Dat was 6 maanden geleden. Ik schreef een brief met goede argumentatie aan de baas en ik kreeg een kattebelletje met spelfouten terug. Van die ongeïnteresseerde houding raakte ik zo overstuur dat ik in mijn oude gedrag van hevige suïcidaliteit schoot en ’s avonds deed ik een zelfmoordpoging.
We zijn nu een paar maanden verder, en mijn therapeut en ik hebben nog wat door gekrabbeld en ik heb enkele weken respijt van stoppen van therapie gekregen omdat ik ernstig ziek ben geworden (necrose in mijn kaak). Maar nu is het dan toch op.

Common sense als inschatting van de therapeut samen met de patiënt over het afronden van de therapie op het moment dat ik voldoende integratie heb bereikt is buiten beschouwing gelaten. Mijn therapie heet integrale trauma therapie, maar er zijn geen doelen meer gesteld voor mijn herstel. Ja, de termijn van enkele weken is wel gesteld, er staat dan dat ik dan beter ben, maar dat is een fictieve doel, want ik heb wel alles op alles gezet, maar ik haal deze eindstreep niet, eenvoudig, omdat er nog een rest van de traumatische inhoud niet is gedeeld en er dus een deel blijft zitten.

Algemeen kun je stellen dat het laatste deel van de therapie het zwaarst is, en hier word ik in de steek gelaten. Dit voortijdig afbreken, waarmee nu al een half jaar is gedreigd en waar ik zo in mijn eentje tegen heb gestreden zonder hulp is in zichzelf traumatiserend. Er is tot op heden geen nazorg geregeld en het geld is belangrijker dan het welzijn van de patiënt.

Het is alsof de hersenchirurg zegt, ik heb geen tijd om de operatie af te maken. De patiënt heeft hier en daar tijdens OK nog zelf aangegeven waar hersentumorweefsel zit, dat is sporadisch nog weggehaald. Nu is de tijd van OK voorbij. De wond wordt opengelaten, er wordt geen drain aangebracht. Het geld is op… patiënt gaat met open hoofdwond naar huis.