Ziek van Trauma

verschenen in: Tijdschrift voor Psychotherapie, 2018, 44(2) – 1 Forum

Personalia

Veerman, Esther : jeveerman@gmail.com

Esther Veerman is theoloog, kunstenaar en oprichter van stichting Kunst uit geweld http://www.kunstuitgeweld.nl, Vriezenveen. Zij is auteur van het kunstboek: Nooit meer Kwijt (2006). Een verzameld boekje met schilderijen, tekeningen en gedichten over een indringend verleden van seksueel misbruik in de kindertijd. Onlangs ontwikkelde zij het kaartenproject: Een Kaart voor elke Dag. Deze set van 72 kaarten is bedoeld voor mensen die ingrijpende ervaringen hebben meegemaakt als steun in de rug, verkrijgbaar via de website van de Stichting.

chronisch ziek

Chronisch Ziek – 2017, Mixed Media, Esther Veerman

“I am not what happened to me, I am what I choose to become” Carl Gustav Jung

Samenvatting

Mensen die te maken hebben met (ernstige) traumatisering in de (vroege) jeugd kampen vaak ook met chronische lichamelijke klachten. Gezien de doorwerking van stress op zowel lichaam als geest zou een multidisciplinaire aanpak aanbevelenswaardig zijn. Door het delen van een ervaringsverhaal trekt de auteur lijnen tussen haar geschiedenis van trauma en de vele lichamelijke klachten die zij later ontwikkeld heeft. De vragen die zij zichzelf daarbij stelt komen wellicht van pas bij een verdere doordenking van zowel chronische traumatisering als chronische ziekte en mogelijkheid voor herstel.

Abstract

People who struggle with (severe) trauma early in life, often have to deal with chronic physical complaints. Since stress has a major impact on the body as well as on the brain, a multidisciplinary approach to treatment would be recommendable. By sharing her own story the author connects her history of trauma with the many physical complaints that she developed later in life. The questions she asked herself during this process may help in further consideration of chronic trauma, chronic disease, and the possibilities for recovery.

Inleiding

Mensen die chronische ervaringen van huiselijk en/ of seksueel geweld uit hun vroege jeugd meedragen ervaren op latere leeftijd vaak veel psychische gevolgen. Daarnaast worden er in de literatuur en door ervaringsdeskundigen ook lichamelijke gevolgen gerapporteerd. In dit artikel wil ik aan de hand van mijn eigen ervaringsverhaal ingaan op de gevolgen van het geweld in mijn vroege jeugd voor mijn ziekte(geschiedenis). De vraag die ik stel luidt: als er aandacht is voor zowel de psychische gevolgen als ook de lichamelijke gevolgen van chronische vroegkinderlijke traumatisering en er goede multidisciplinaire behandeling wordt ingezet, is het dan mogelijk om de gevolgen te reduceren en lijden op de lange duur te verminderen?

Ervaringsverhaal

Een jong meisje was ik nog maar toen ik te maken kreeg met ernstige mishandelingen door beide ouders. Seksueel misbruik door mijn vader en lichamelijke mishandelingen door mijn moeder. Zo kwam het dat ik al  op jonge leeftijd de kinderarts bezocht samen met mijn moeder. Al jong had ik het af en toe Spaans benauwd. Ik moest naar fysiotherapie, en ik noemde hem de Klopper, omdat hij door middel van tapotage slijm zou moeten losmaken.  Maar ik kwam rood aangedaan bij hem vandaan en voelde me naar. Misschien lag de oorzaak meer bij het feit dat ik al jong tussen de middag samen met mijn vader naar huis moest komen tussen de middag uit school. Om twaalf uur liep ik van school de winkelstraat in naar de winkel waar mijn vader filiaalhouder was. Daar gebeurden dingen die het daglicht niet konden verdragen. Ik was nog maar net zes jaar oud. Op de fiets naar huis had ik en geen kracht meer in mijn benen maar ook geen lucht meer in mijn longen.

Als ik eenmaal thuis was, werd ik ziek. Ik werd misselijk en moest braken. De emoties werden me veel teveel; dat kan ik nu ik erop terugkijk wel navertellen maar toen niet. Toen was ik alleen maar ziek. Mijn hoofd en lichaam waren geen eenheid in die periode van overleving. Ik voelde me ziek, maar had niet in de gaten dat ik me zo rot en ziek voelde door de dingen die mis gingen binnen het gezin. Voormij als kind was dit het gewone gezinsleven. En voor de buitenwereld leek alles volkomen normaal. Huilen durfde ik al helemaal niet. Ik denk dat ik als kind veel tranen in mijn ogen die er niet mochten zijn heb proberen weg te wrijven. Vaak had ik ontstoken ogen, of waren mijn ogen helemaal dicht van het eczeem. Ook begon ik met automutileren. Eerst schuurde ik maar een beetje met mijn schoen over mijn enkel en duwde zo de spanning en pijn weg.

Maar allengs werd het erger. Telkens als er ’s nachts dingen gebeurden greep ik een schaar en schuurde de huid van mijn armen en benen totaal kapot. Geen sneden maar afgeschuurd vel. De pijn verplaatste als het ware de verschrikkelijke interne pijn en spanning en de uitputting volgde erna.  Moeder bleef het steevast eczeem noemen. Alle doktoren in het Noorden van het land werden om die reden wel opgezocht. Zodra er vragen werden gesteld moest ik naar een volgende dokter toe. Het misbruik ging over naar huis toen ik een kamertje alleen kreeg en mijn zus op kamers ging. Ik was nog maar tien. Klein als ik was, stopte ik het misbruik in vakjes in mijn hoofd die zo goed mogelijk op slot gingen, zodat ik toch overdag gewoon naar school kon gaan en waar mogelijk nog een beetje kon spelen. Met een moeder, die perfectionistisch en zeer veeleisend was, en ook nog losse handjes had als je een minuscule fout maakte, was een normaal leven welhaast onmogelijk. Daarnaast moesten wij als kinderen top presteren en zo heb ik ook nog het Gymnasium gehaald zonder maar één keer te blijven zitten. In deze periode breidde het misbruik zich nog uit tot derden en heb ik veel gezien en nog meer meegemaakt dat te verschrikkelijk is voor een kind om mee te maken.

Ik merkte gedurende mijn hele leven dat ik enorm stram was. Ik kon als klein kindje al niet meekomen met de gymnastiek lessen. Ik herinner me bijvoorbeeld een keer dat ik tot boven aan het klimrek moest klimmen en dat ik opeens me afschuwelijk bewust was dat de gymnastiek leraar me van onderen kon zien. Daarop kreeg ik een vreselijke trigger.  Ik was misschien zeven jaar oud. Ik stond te bibberen bovenaan het klimrek en ik kon met geen mogelijkheid meer naar beneden. Hij stond maar te roepen en gebaren dat ik naar beneden moest komen. Uiteindelijk lukte het om te gehoorzamen, hoewel mijn lichaam me bijna in de steek liet en ik steeds bang was om te pletter te vallen. Dat stram zijn breidde zich uit. Sowieso was ik angstig, eigenlijk voor alles wat nieuw was. Maar ik had grote moeite met bijvoorbeeld het springen over een bok of een kast. Dan moest je je benen spreiden en dat kon ik eenvoudig niet. Ik dacht echt op zo’n moment niet aan het misbruik, dat had ik niet paraat.  Maar ik kon eenvoudig niet de benen spreiden. De benen waren als tangen aan elkaar geklemd. Er waren later wel gymleraren die bijna met geweld me over zo’n bok hebben gesleurd. Dat waren nare ervaringen.

De jaren op de Middelbare School bleef ik onopgemerkt. Ik gaf onbewust wel signalen af, zoals de automutilatie die naar buiten meer en meer zichtbaar werd. Zo werd ik het enige meisje dat op het Gymnasium een legging droeg tijdens de gymles. Toch werden er geen vragen gesteld. Tijdens lessen Engels schreef ik een gedicht waarin ik schreef over een “vertrapt Zelf”, maar ik herinner me nog, dat ik echt niet begreep waarom ik juist die specifieke woorden op moest schrijven. Deze lerares heeft ooit wel gevraagd of ik me wel goed voelde en ik haastte me om “goed” te zeggen. Dat was alles wat er ooit met mij gecommuniceerd is in die periode van mijn leven over mijn welzijn.

Tijdens mijn studie theologie leek het heel goed met me te gaan. Het feit dat ik uit huis was gegaan leek me lucht te geven en bewegingsvrijheid. Wanneer een onverwachte soms maar kleine gebeurtenis, geur, smaak of reactie van iemand – ook wel een trigger genoemd – mij plotseling en onbewust deed herinneren aan de ervaringen van vroeger, kon het compleet misgaan. Een voorbeeld daarvan was een college psychologie waar een film werd getoond  waarvan ik de inhoud niet eens meer heb onthouden. Waarschijnlijk ging het over euthanasie of een dergelijk indringend thema. Opeens had ik het gevoel dat ik doodging en vluchtte uit de collegezaal. Mijn hart ging tekeer en ik kreeg geen lucht meer. Toen ik enkele dagen later me liet onderzoeken door een huisarts en die mij vroeg mijn bh uit te doen om naar mijn hart te luisteren, was ik ervan overtuigd dat hij mij wilde misbruiken.  Ik werd razend van binnen. Ik begreep niets van goede zorg of wat goed en fout was. Ik was compleet in de war. Maar het ergste was dat ik het gevoel had dat mijn lichaam mij had verraden: immers, als ik geen  “hartaanval” had gehad, was die dokter niet over mijn grenzen gegaan..

Enkele jaren later was ik in verwachting van mijn eerste kind en hoe blij en gelukkig ik was tijdens mijn zwangerschap, zo dramatisch verliep de bevalling: ik had geen idee hoe ik de weeën moest opvangen en ik was er ook enorm fobisch voor. De pijn in de schaamstreek leek teveel op het herbeleven van de talloze verkrachtingen die ik had geleden in mijn kindertijd. En het kwam allemaal als in een tornado terug. Het viel als het ware op mij.

Na de bevalling raakte ik in psychoses waarin die beelden als in nachtmerries uitvergroot terugkwamen; zij overvielen mij voortdurend. overvielen. En mijn lichaam gaf talloze herinneringen terug. Soms was ik verlamd, dan weer helemaal verstijfd. Soms was ik kotsmisselijk en dan had ik weer enorme steken in mijn onderrug. Het was bijna teveel om op te noemen. Opnames in de psychiatrie volgden, eerst met mijn baby, later zonder. Het verdriet om mijn kind achter te laten is bijna niet te beschrijven en een trauma in zichzelf. Maar, om beter te worden, moest ik ook die prijs betalen. De – voor mij – vreemde symptomen bleven elkaar afwisselen. Vaak als het tegen de avond liep en de deuren op slot gingen kreeg ik een hevige drang om te vluchten. Het gevoel opgesloten te worden greep me zo zeer naar de keel dat ik hevig ging beven en geheel verkrampte. Mijn benen op topspanning en alles in mij leek te roepen dat ik weg moest van waar ik me op dat moment bevond.

Op andere momenten kon opeens het gevoel ontstaan alsof ik in een diepe put belandde en ik de werkelijkheid alleen vanuit die diepe put kon beleven.  In feite waren mijn spieren dan verslapt en mijn ogen dicht en ademde ik alleen nog oppervlakkig. Maar in de verte hoorde ik nog wel wat er tegen me werd gezegd, ik kon er alleen niet meer op reageren. Jaren van opnames en therapie volgden. Uiteindelijk heb ik na veel wanhopige pogingen om hulp te vragen een diagnose gevraagd aan een specialist op het terrein van de gevolgen van vroegkinderlijke. chronische traumatisering. Hij constateerde dat ik leed aan DIS, Dissociatieve Identiteitsstoornis

Jaren van intensieve fasegerichte traumatherapie volgden. Tegelijkertijd waren er ook veel lichamelijke ongemakken. Eerder al toen ik dertig jaar was, gingen mijn ogen erg achteruit. Ik kreeg keratoconus, een ernstige aandoening waardoor mijn hoornvlies degenereerde. Uiteindelijk had ik een hoornvliestransplantatie in mijn linkeroog nodig en in mijn rechteroog een operatie om te voorkomen dat het hoornvlies verder achteruit zou gaan. Daarnaast kreeg ik steeds meer pijnklachten, zoals ernstige pijn in mijn benen en rug. Aangezien ik een lange traumageschiedenis had, werd lang gedacht dat het “tussen de oren” zat en er medisch gezien weinig aandacht aan geschonken. Een huisarts die mij behandelde verwees veelvuldig naar de bijwerkingen van mijn lange lijst psychofarmaca en zei steevast dat het wel zou gaan om een bijwerking van een medicijn. In die tijd belandde ik enorm vaak met klachten op de eerste hulp. Het frustrerende was, dat door mijn onzekerheid en angst voor mensen in het algemeen en inmiddels ook voor artsen, ik niet in staat was om mijn klachten goed aan te geven. Frustrerend voor de arts die mij behandelde maar vooral voor mijzelf en mijn naasten. Vaak kwam ik nog slechter terug van het ziekenhuis dan ik erin ging, en volgde daarna een opname in de psychiatrie.

Een decennium en veel lijden later kwam ik pas bij een pijndokter terecht die een MRI liet maken van de onderrug. Er bleek een dubbele hernia te zijn en een scoliose, maar de arts benoemde dat veel pijn in mijn bekkenbodem trauma-gerelateerd was. Het leek alsof het lichaam haar herinneringen terug ging geven. In overleg met de dokter van de pijnpoli kwam ik onder behandeling van een bekkenbodemfysiotherapeut. Daar bleek dat een deel van de pijnproblematiek gerelateerd was aan een constante spanning in het bekkenbodemgebied. Maar iedere oefening, zoals ademhalingsoefeningen, om het gebied te ontlasten, ontaardden in hevige re-ensceneringen van stukken traumageschiedenis.

Kort daarvoor had ik al een traject doorlopen waarin ik voortdurend dacht dat ik niet naar het toilet kon omdat ook dat “tussen mijn oren” zat. En ik gaf mezelf daar voortdurend de schuld van. Eind van het verhaal was een plotselinge opname in het ziekenhuis met een totale incontinentie. Wat voor mij duidelijk werd in deze fase van mijn leven was dat ik de symptomen van mijn lichaam serieus moest  leren nemen. Ik moest leren om psychosomatiek niet met aanstelleritis te verwarren.

In mijn dagelijks leven merk ik vaak dat vooral mijn spraakcentrum snel onder druk komt te staan. Wanneer ik ook maar lichte stress ervaar, kan ik geen woorden meer vinden voor de meest eenvoudige dingen die ik wil uitleggen. Zodra ik stress ervaar, kan ik door de opkomende emotie, al sluimert die in mijn onderbewuste, het woord niet meer uitspreken. Het komt als het ware niet meer voorbij mijn begrippenkader. Ik “zie” het woord niet meer voor me en kan het daarom geen vorm en klank meer geven. Als de stress voorbij is kan ik weer vlot en voluit spreken. Dit is een vervelende handicap die mij al veel in de weg heeft gestaan en waardoor ik bijvoorbeeld ook geen lezingen uit mijn hoofd kan houden. Vroeger dacht ik altijd dat ik dom was, nu weet ik dat het een trauma-gerelateerd probleem is en heb ik begrip voor mezelf, dit helpt enigszins om te gaan met deze beperking.

Waar ik naar toe wil met mijn verhaal is het volgende: ik heb de laatste jaren uitstekende integratieve traumatherapie ontvangen en er is iets opmerkelijks gebeurd. Eerder had ik regelmatig last van ernstige exacerbaties van mijn astma en kwam ik regelmatig terecht op de Eerste Hulp van het ziekenhuis. Zoals ik al omschreef heb ik een moeizame weg moeten gaan met het leren onderkennen van de lichamelijke symptomen van mijn lichaam en moeten leren begrijpen wanneer iets psychosomatisch dan wel alleen somatisch is. Daarvoor ben ik maar gewoon zelf aan artsen (vooral de huisarts) gaan vragen om mij te helpen differentiëren tussen wanneer een klacht psychosomatisch dan wel somatisch is. Voor sommige klachten kan dat immers gelden, zoals benauwdheidsklachten, maar ook angst-gerelateerde klachten en sommige pijn-stressklachten. Gelukkig heb ik op dit moment een goede verstandhouding met mijn huisarts en durf ik meer ook de overweging met hem te bespreken of hij mij wil helpen differentiëren bijvoorbeeld bij benauwdheid: zou de benauwdheid komen van angstaanvallen, of ben ik benauwd als gevolg van bijvoorbeeld een beginnende longontsteking? Ik besef dat het niet altijd makkelijk te onderscheiden is, maar ik vind het wel prettig om dat zo openlijk te kunnen bespreken.

Het laatste jaar heb ik daarin uitdrukkelijk moeten ontdekken hoe ook het lichaam haar eigen herinneringen heeft opgeslagen en teruggeeft. Zo heeft de arts van de pijnpoli, een kundig anesthesioloog, mij opmerkzaam gemaakt op de grote spanning in mijn bekkenbodem. De chronische stress heeft zich veelal daar ook opgeslagen met gevolgen voor mijn onderrug, problemen met de ademhaling, maar ook dingen die anderen als vanzelfsprekend ervaren zoals de zelfsturing van mijn onderlichaam, met alle gevolgen voor de spijsvertering en urinewegen. Voor mijzelf viel er zoveel op z’n plek. Al die vreemde lichamelijke klachten bleken voor een groot deel terug te voeren op de stress. Naast al deze mechanische klachten blijk ik ook veelvuldig vatbaar voor indringers als virussen en bacteriën. De artsen geloven inmiddels ook dat de chronische stress effect heeft op mijn algehele conditie en dat al gedurende vele jaren.

Ondanks al mijn klachten en problemen ben ik een steevast gelovige: ik geloof in het tot rust komen door de integratie van geest en lichaam; hoe meer het mij lukt om mijn trauma’s te integreren en tot mijn geschiedenis te maken. Ik geloof in het belang van het besef, dat het mij overkomen is: ik had als kind enorme pech. Dat is niet zomaar een opmerking maar een belangrijke integratieve constatering die ik heb mogen leren gaandeweg mijn traumatherapie. Ik had geen schuld aan al deze vreselijke zaken die mij overkwamen, het was niet omdat ik zo’n naar kind was, of omdat ik niet gehoorzaam genoeg was of wat niet al. Nee, ik had de enorme pech om in dat gezin geboren te zijn. Nu denk ik: het is niet anders, maar ik ben er nog.

Als ik kijk naar het proces om terug te komen in het leven, zie ik een aantal lijnen lopen waar ik heel dankbaar voor ben. Mijn partner die van het begin naast me heeft gestaan, zo veel met mij heeft meegemaakt en er nog steeds is. Als kind al zag ik engelen die mij hielpen om uit de situaties van trauma weg te komen naar een veilige plek. Na veel nare en slechte, soms opnieuw traumatiserende ervaringen vond ik twee maal op rij geweldige traumatherapeuten die mij bijstonden en mij de weg wezen naar veilige plekken in mijzelf.

Het niet kunnen praten als gevolg van de traumatisering is nog een ander “ding”. Al van jongs af aan heb ik getekend en geschilderd. Veelal wist ik niet waar het tekenen over ging. Het waren werkelijk onbewuste processen. Zo heb ik op mijn dertiende al achteraf gezien één van de daders afgebeeld. Ik had hem op de tekening afgebeeld alsof hij was doodgeschoten. Het kind in de tekening is schuldig aan het doden van de dader. Ik had als kind de schuld op me genomen, voor mij heel duidelijk werd dat ik zo de schuldvraag had omgedraaid. Ik voelde me al die jaren verantwoordelijk voor het geweld.

Later werd me steeds afgeraden om over de traumatisering te praten ook tijdens alle opnames in de psychiatrie, maar het voelde als een soort hevige onderstroom in mijn binnenste die eruit moest. En dus schilderde ik wat mijn onderbewuste me ingaf. Al die schilderijen stopte ik dan maar onder mijn bed. En ik zweeg erover. Gelukkig heb ik het later bij mijn integratieve traumatherapie allemaal nogmaals mee mogen nemen. En heel langzaam heb ik woord voor woord durven toevoegen aan de beelden. Ook dat was een doodgriezelig proces. Maar juist toevoegen van woorden aan de onbewuste processen gaf mij een stuk van mijn verwerking. En een stuk realisatie van mijn verleden. Het deed me beseffen wat ik had meegemaakt maar ook: het is voorbij. Dit is dus mijn geschiedenis.

Wat mij telkens beter lukt is om opkomende stress als gevolg van herbelevingen vroeger te signaleren, tot rust te brengen en te integreren. Dat gaat heel in het kort als volgt: er zijn beelden/herinneringen waar ik mee worstel die aandacht verdienen, vaak ontstaan door een trigger. Ik geef zo’n beeld – in mijn geval in de vorm van een kind-deel – zoveel mogelijk ruimte door het kind-deel in mijzelf te laten tekenen of iets anders te laten doen waardoor het zich kan uiten. Dan wordt duidelijk wat de diepste pijn is of moeite en als dat samen is beleefd, kan ik proberen het kind-deel te begeleiden naar de veilige plek die ik ook in mijn hoofd heb, de plek met de engelen. Zo integreer ik het kind-deel, met de pijnlijke herinnering en de emotie in mijzelf.

Inmiddels organiseer ik tentoonstellingen voor en met lotgenoten door heel Nederland. Daarnaast heb ik de laatste twee jaar een kaartenproject ontwikkeld waarin ik de negatieve kernovertuigingen die ik van binnen had ombuig in positieve kernovertuigingen. Ook dat heeft me enorm geholpen in mijn verwerking. Woorden als `ik ben schuldig’, ombuigen in `ik ben geliefd’. Ik heb schilderijen gemaakt die bij een dergelijk woord passen. En die kaarten zijn inmiddels uitgebracht. Al bij één mevrouw heeft de positieve kernovertuiging: `Ik mag mijn innerlijke kind troosten’ een doorbraak gegeven in haar therapie. Ik ben er enorm dankbaar voor. Ook dit lotgenotencontact helpt mij iedere dag verder in mijn verwerking van mijn eigen verleden.

Met het steeds meer integreren van de traumatische herbelevingen in mijn eigen bestaan en het zo integreren en herschrijven van mijn bestaansgeschiedenis, krijg ik meer en meer vat op wie ik ben maar ook op mijn hele leven, zowel psychisch als somatisch. Ik heb aanzienlijk minder crises, psychisch nagenoeg niet meer, en somatisch misschien wel 70 procent minder dan enkele jaren geleden. Het heeft me veel gekost maar ik ben erg dankbaar voor wat het me voor nu en de toekomst oplevert.

 

Discussie

 

In het ervaringsverhaal is duidelijk geworden dat vroegkinderlijke chronische traumatisering debet kan zijn aan een hoge dosis stress in het vroege leven maar ook later in het leven. Deze stress stopt niet in de kindertijd maar gaat latent door en blijft onderhuids doorwoekeren en zet zich als het ware vast in het lichaam om later toch weer te zorgen voor de nodige sores. Door mijn werk voor Stichting Kunst uit geweld ben ik met veel lotgenoten in contact gekomen. Mensen die aan mij hebben gerapporteerd dat zij worstelen met een onveilige jeugd en tegelijkertijd kampen met veel ziekte.

Wanneer ik een arts bezoek is het eerste dat ik nodig heb de hulp  bij differentiatie tussen somatiek en psychosomatiek. Het verdient kennis en aandacht van de kant van de zorgverlener voor ij als patiënt om samen te zoeken naar de oorzaak van een klacht. Zoals ik beschreef in mijn verhaal is dat verre van eenvoudig. Door mijn angst voor mensen in het algemeen en vele negatieve kernovertuigingen lukte het mij vaak niet goed mijn klachten te verwoorden.

Een probleem dat het extra moeilijk maakt is de spraak. Op momenten dat de stress toeslaat stopt bij mij het vermogen van de taal. Inmiddels begrijp ik door de uitleg van een van mijn traumatherapeuten dat het ook werkelijk een probleem van mijn hersenen is, waardoor de spraak stookt wanneer de stress toeslaat, maar het is een grote handicap. Dit heeft gevolgen voor welke praattherapie dan ook. Elke getraumatiseerde patiënt van PTSS tot DIS ondervindt deze gevolgen en zal vaak moeite hebben om onder woorden te brengen waar de pijn zit. Een en ander kan mogelijk met geduld en tijd – waar een module traumabehandeling voor PTSS onvoldoende resultaat heeft gegeven – opgelost worden.

Mijn therapeut had de creativiteit om hierop in te spelen. Uiteindelijk heeft het mij echt geholpen om woorden te geven aan de onbewuste processen. Daardoor kon ik een groot deel van mijn traumatische jeugd als mijn geschiedenis leren zien in plaats van als een nachtmerrie die mij telkens overviel.

De problemen met taal beperken zich echter niet tot de therapie maar spelen ook op bij de somatiek. Als ik bij een dokter kom en zenuwachtig ben kan ik niet uit mijn woorden komen. Daar komt nog het probleem bij van de dissociatie. Ik kan opeens ongevoelig zijn voor pij als ik zenuwachtig ben. Zo kan ik met een gebroken voet zomaar door een ortopeed naar huis gestuurd worden zonder krukken omdat hij de breuk en de pijn onderschat heeft.

Goed luisteren en aandacht van zowel de therapeut als de arts heeft mij telkens geholpen om mij in mijn autonomie gesterkte te voelen en ook om in mijn kracht te komen. Dit heeft mij de energie gegeven om meer zelfredzaam te worden, voor mijzelf op te komen en om wegen te zoeken en te vinden om tot oplossingen te komen voor mijn problemen. Tegenwoordig vertel ik aan de arts dat ik een geschiedenis heb van trauma in de jeugd, zonder op details in te gaan. Dit helpt mij om heel in het kort iets te zeggen over mijn angsten en de arts de gelegenheid te geven rekening te kunnen houden met het gegeven van mij als patiënt en de mogelijkheid van stress of angst, zowel bij de handelingen hij of zij gaat verrichten of de mogelijkheid van psychosomatiek in het klachtenpatroon.

Een multidisciplinaire benadering voor overlevenden van chronische vroegkinderlijke traumatisering zou, lijkt mij , zinvol kunnen zijn ten einde het lijden te verminderen en om te komen tot een verbeterde gezondheid. Mijn verhaal laat zien dat binnen een integrale traumatherapie aandacht dient te zijn voor de somatische kant van mij als  patiënt. Tegelijkertijd zou de medische wereld meer oog moeten krijgen voor de psychische kant van een somatische aandoening en zo zouden beide hand in hand uiteindelijk klachtenvermindering kunnen opleveren.

Stel, dat de longarts in contact met de patiënt en de psycholoog tot een beter behandelplan kan komen en misschien een behandeltraject kan bedenken voor de patiënt dat zowel een beter herstel als ook uiteindelijk kostenefficiënter is, dan is iedereen erbij gebaat. Andersom, stel, dat de longarts een behandeling voorstelt bij een patiënt en die behandeling slaat niet aan, zou het dan kunnen zijn dat een verleden van vroegkinderlijke chronische traumatisering de genezing belemmert?

Deze complexiteit die voortkomt uit PTSS en in mijn situatie DIS en de combinatie van veel problemen met psychosomatiek en somatiek leidde er toe dat ik met mijn huisarts heb overlegd of het zin zou hebben een casemanager in te stellen voor mijn situatie. Iemand die zou helpen mijn lichamelijke gesteldheid te monitoren en zou helpen met artsen in een multidisciplinair team te overleggen, en mij zou helpen als ik vragen zou hebben zo, waar nodig, zou helpen medische fouten te voorkomen. Wellicht zou er veel gewonnen kunnen worden als een dergelijke casemanager er wel zou komen.

Wat ik zelf het meest ideaal zou vinden, maar wat denk ik nog nooit is onderzocht , is wanneer er binnen een algemeen ziekenhuis een arts zou zijn, bijvoorbeeld een internist, die samen met de behandelend psycholoog en de huisarts een multidisciplinair team zouden vormen. Mocht ik als patiënt dan vragen hebben met betrekking tot een nieuwe klacht, dan zou ik die ook misschien via mail aan een van hen kunnen voorleggen.

Het voordeel voor mij als patiënt is dat artsen van het multidisciplinair team mij dan kennen. Zij weten dan bijvoorbeeld ook dat ik soms niet uit mijn woorden kan komen, tijd nodig heb. En dat ik af en toe klachten flink kan bagatelliseren of ongevoelig kan zijn voor pijn. Zij kunnen ook collega’s vertellen over mij als complexe patiënt. Medische fouten zouden zo misschien in de toekomst voorkomen kunnen worden, ook wat betreft de omvangrijke medicatielijst.

Ik ben hierin niet uniek. Ik weet dat ik spreek voor een grote groep lotgenoten. Met regelmaat vraagt iemand mij hoe zij bijvoorbeeld als getraumatiseerde bij een lichamelijk onderzoek aan de arts duidelijk kan maken dat zij zo bang is en dat daardoor de klachten alleen maar verergeren? Bij mij heeft de traumatherapie en de aandacht die ik zelf vraag voor de psychische kant bij de reguliere arts geleid tot betere zorg en vermindering van crisisopnames op de eerste hulp.

Tot slot nog dit: geduld en uithoudingsvermogen zijn  van groot belang van de kant van zowel de zorgverlener als van de patiënt. Een goede integratieve traumatherapie in samenspraak met een empathische huisarts en specialist zou wellicht een positieve slag kunnen maken voor de gezondheid van iemand met de complexe problematiek van vroegkinderlijke chronische traumatisering. Geloof in de kracht van de mens is daarvoor voorwaarde.

Advertenties

Een Kaart voor elke Dag

Ingrijpende ervaringen

Wat voor anderen zo gewoon lijkt kan voor iemand die ingrijpende ervaringen heeft meegemaakt een hele opgave zijn. Voor mij zijn heel gewone dagelijkse dingen als een praatje maken bij de kassa in de winkel of een gesprekje bij de uitgang van de kerk enorm moeilijk zijn. Een normale conversatie aan tafel als er gasten zijn is voor mij iets waar ik tot voor kort buitengewoon tegenop kon zien. Het zijn zomaar wat voorbeelden van zaken die bij mij heel veel spanning kunnen oproepen. Het heeft alles te maken met de traumatisering die ik als kind heb meegemaakt.

Negatieve Kernovertuigingen

Lang heb ik geprobeerd de herinneringen aan de traumatische ervaringen uit mijn kinderjaren weg te drukken en juist in het dagelijks leven merkte ik dat ik anders was. In het gewone alledaagse reageerde ik soms tot mijn eigen verbazing plotseling zo angstig of totaal verlegen met de situatie. Het maakte dat ik me meer en meer terugtrok uit groepen, zelfs als ik eerst wel enthousiast ergens in was gestapt. Het ontbreekt me namelijk niet aan een eerste enthousiasme, maar wel aan het gevoel er ook echt bij te mogen horen. Als het erop aan komt bekruipt me vaak het gevoel: ik mag hier niet zijn, ik hoor er niet bij, niemand wil mij, ik moet weg, en meer van dergelijke negatieve kernovertuigingen.

Wonden

Soms door een onbedoelde opmerking van een omstander, soms door een rechtstreekse vraag kan ik zomaar onderuit gaan. Niemand ziet het aan mij, het gebeurt allemaal van binnen in mijn hoofd en in mijn lijf. Het zijn de oude wonden die plotseling opengemaakt worden en die mij van binnen wankel maken en me in mijn schulp doen kruipen. Dat oude zeer heeft me lange jaren in de greep gehouden, ook, en dat vinden mensen vaak moeilijk te begrijpen, omdat de ellende die mij is aangedaan zoveel jaar heeft geduurd. Het kost gewoon veel tijd en geduld om dat weer uit je systeem en je lichaam te krijgen. Als je als kind gaat geloven dat je nergens voor deugt, en niets waard bent, en je dat je lange jaren tot in je volwassenheid meesleept, dan gaat het in al je cellen zitten. Bij mij wel in ieder geval. Het voelt bijna alsof het mijn genen ging bepalen en ziekte veroorzaakte. Die wonden zitten diep.

Op weg naar herstel

Toch heb ik het er nooit bij laten zitten. Ik wilde altijd vooruit. De laatste jaren is dat ook beter gelukt. Door alle diepte heen zoekend naar Licht. Er was voor mij maar één weg: er dwars doorheen. Samen met mijn therapeut en met de steun van mijn partner heb ik die weg kunnen afleggen. Alleen had ik dat niet gekund. Het is vaak een eenzame weg, maar de beloning is groot. Want ik heb ontdekt dat ik minder bang ben geworden. Dat ik steeds meer vrijheid durf te ervaren en dat ik gaandeweg heb ontdekt dat sommige mensen te vertrouwen zijn, dat ik nu wel sommige mensen zo vertrouw dat ik hen vrienden durf noemen en dat ik me niet meer zo raar voel als ik me tussen een groep mensen begeef. Ik krijg iets meer zelfvertrouwen. Bovenal durf ik meer en meer de moeder en vrouw en vriendin te zijn die ik zo graag wil zijn.

kaartenproject10

Kaartenproject

Zo ben ik aan een kaartenproject begonnen twee jaar geleden. Geïnspireerd door een diverse kaartspelen en projecten ben ik gaan tekenen en schilderen. Ik heb me laten inspireren door teksten, heb ze geschreven of ontvangen van mijn therapeut. Deze teksten heb ik laten toetsen door professor Onno van der Hart voor dit project. Het was rustgevend om met dit positieve project bezig te zijn. Zeker in combinatie met mijn therapie merkte ik hoezeer het oefenen in positieve kernovertuigingen mij heeft geholpen om langzaam de oude kernovertuigingen te laten slijten en in te ruilen voor de goede overtuigingen als: ik ben geliefd, .. ik mag verdrietig zijn, .. sommige mensen kan ik vertrouwen, aan hen kan ik mijn verhaal doen.

 

kaartenprojectvoorkant

Ik ben dankbaar en blij dat het project af is en de prachtige set “Een Kaart voor elke Dag” nu  beschikbaar is voor iedereen. Het is te verkrijgen via de website van onze Stichting Kunst uit Geweld www.kunstuitgeweld.nl voor slechts €10,00

Thuiskomen in jezelf

Ontheemd
Door de jaren heen is het vechten om te overleven na een traumatische jeugd het belangrijkste geweest. Het leven heeft voor het grootste deel in het teken gestaan van doktersafspraken. Niet alleen vroeg het overbelaste brein voortdurend om directe actie maar ook het lichaam droeg schrijnende sporen van de voortdurende disbalans. Daaronder echter dreef als het ware een rivier van onthecht en ontheemd zijn. Bij mij gemixt met stemmen die in mijn hoofd zeiden dat ik er niet toe doe en er zeker ook niet bij hoor. Ik bedoel: bij de mensen. En dan niet vaag, maar nee, heel letterlijk. In de meest letterlijke zin van het woord.
Er niet bij horen
Een paar mensen reken ik wel tot lieve vriendinnen, al schroom ik wel om mezèlf vriendin te durven noemen. Maar sommige mensen hebben het aangedurfd om het met mij uit te houden door de jaren heen. En dat betekent dat zij zich niet hebben laten wegsturen wanneer ik zei: ach je moet maar niet meer komen, want wie wil mij nou. Dan hoorde ik namelijk een stem in mijn hoofd die zei: “niemand wil jou, hoor je! Niemand! Jij deugt niet hoor je!” En meer van die zinnen en dat aan één stuk door. Ik kon dan niet geloven dat ik ergens bij hoorde, of dat iemand het met mij uit zou kunnen houden. Door alle schroom heen bibberde ik dan toch nog door de telefoon: “ik vind het fijn dat je komt.” Zelfs al wilde ik het liefst meteen de andere kant oprennen en mezelf iets aandoen. Ik mocht er niet bij horen. Diep van binnen niet, omdat ik door het misbruik wel had geleerd: je bent niets waard.
Buiten- en binnenkant
Zo leerde ik dat iets organiseren of er voor een ander zijn een stuk makkelijker is dan om het uit te houden in mezelf en met mezelf. Nu ik verder genees moet ik beginnen aan dit laatste avontuur en dat is: oog hebben voor de behoefte om zelf te mogen ontvangen. Zo is er een buitenkant die presenteert, lezingen geeft en voorlichting over de gevolgen van huiselijk en seksueel geweld. En er is een kwetsbare ik, die thuiskomen in mezelf zo ontzettend eng vindt, dat het vluchten tot over de grenzen van deze werkelijkheid vaak nog als enige optie zie. En nu moet ik proberen om die optie om te keren en te verruilen voor de betere: het uithouden in het hier en nu.
Het hier en nu als meest echt
Sommige mensen leven in de toekomst: dromen dromen en verten zien. Dat kan mooi zijn maar ook een vlucht. Ik heb ontdekt dat leven in het verleden al is die nog zo verschrikkelijk ook een optie is om te overleven. En nu leren leven in het hier en nu, met alle onzekerheid die daarbij hoort, vind ik echt heel moeilijk. Het betekent dat ik de ander tegenover mij in de ogen kijk en het uithoud bij hoe de blik is in die ogen. Als het om mijzelf gaat, kijk ik altijd weg. Ik ben bang om de reactie op mijzelf te zien in de ogen van de ander. Ik kan het niet aan als iemand bewogen is om mij, het is al teveel met mezelf. Ooit was er een collega die kapot ging bij mijn verhaal. En ik dacht: tjonge meid, houd op, want ik kan mezelf niet uit de put trekken laat staan jou erbij! Ik had het nodig dat degene, die mij bijstond, het uit zou houden bij mijn verhaal. En dat konden maar weinig.

 


Thuiskomen
Gaandeweg ben ik gaan oefenen de afgelopen maanden. Met reacties van mensen. Op vakantie ontdekte ik dat mensen aardig tegen me waren. Ik had de neiging om achterom te kijken. Waren ze nou aardig tegen míj? Ik ben gaan oefenen met sociale situaties. Ik ben ze verleerd en moet het leren op mijn negenenveertigste. Spreek vaker af met vrienden voor een kopje koffie. Ga met schroom op verjaardagsbezoek al laat aan de stem in mijn hoofd zien die zegt dat ik niet welkom ben: kijk, hoe liefdevol ik ontvangen ben? Ik neem de tijd, zoals ’s morgens als ik de kippen van hun nestje til en ze eerst even aai. Dan praat ik tegen ze: “Goedemorgen, moet ik jullie van je nestje tillen? Zitten jullie alweer te broeden? En er ligt niet eens een ei onder? ?” Dan heb ik het gevoel van thuiskomen. En zoals mijn therapeut het tekende op de veilige plek. Tot rust mogen komen. Iemand die veilig is, zit naast mijn bed als ik ziek ben. Charly en Flower liggen naast en onder het bed. Een vogel zingt op een tak. Er staan bloemen en een engel waakt over ons. Er schijnt licht.IMG_20170704_092144

voortijdig afbreken

Jaren geleden maakte ik het schilderij “Closed Environment” oftewel, “Gesloten Afdeling”, een uitdrukking van hoe ik mij voelde tijdens de telkens terugkerende crisisopnames die mij keer op keer overkwamen in de reguliere psychiatrie. Het is moeilijk om woorden te geven aan de verlammende gevoelens van beklemming en gevangenschap, niet alleen de letterlijke opsluiting, maar vooral ook de emotionele eenzaamheid en verlatenheid die ik dan ervoer.

Mijn partner heeft vele voetstappen gezet om mij op te zoeken achter de onherroepelijk gesloten deuren, maar verder moest ik het vaak doen met de gezichten van de begeleiding daar. Als je zo lijkt het uitzichtloos psychiatrisch patiënt bent, houden mensen het niet met je vol. En verplegend personeel gaat zich navenant opstellen. Mij is meerdere keren gezegd, dat ik maar niet moest denken ooit beter te worden, en dat ik altijd wel psychisch ziek zou blijven.

Toen ik nogmaals een ultieme poging deed voor een second opinion na twaalf jaar uitzichtloze psychiatrie werd me te verstaan gegeven dat juist ik me er maar niets van moest voorstellen. Ik had ook al zoveel zelfmoordpogingen gedaan. Ik klampte me echter aan deze strohalm vast. Ik MOEST het nog eens proberen.
Uiteindelijk kreeg ik TOCH hulp, geweldige hulp. Een zeer complexe diagnose, de Dissociatieve Identiteits Stoornis, leek als enig juiste diagnose bij mij te passen en dr. Ellert Nijenhuis wilde me proberen te helpen.

Ik ontdekte dat ik met mijn brein had geprobeerd al die jaren te overleven vanuit een zeer traumatische jeugd. Ik kreeg voor het eerst van mijn leven handvatten om uit de chaos van mijn hoofd en lichaam weg te komen. Helaas ging mijn therapeut uit Nederland weg voor zijn werk en ik kreeg een andere therapeut. Ook hij ging na een paar jaar, gedwongen door de bezuinigingen en alle druk vanuit de zorgverzekeringen ander werk doen, maar beloofde dat ik met hem als therapeut mee zou mogen om mijn therapie af te maken.

Dat jaar ging het ook voorspoedig met het psychische herstel. Langzamerhand kwamen steeds meer traumatische delen van de persoonlijkheid aan het licht en durfde ik steeds meer woorden te geven aan de vaak zeer traumatische inhoud van mijn verleden. En heel langzaam merkte ik dat mijn angsten afnamen en ik in het dagelijks leven meer ruimte kreeg om te leven in vrijheid zonder angst. Lichamelijk hadden de jaren hun tol geëist en was het een uitputtingsslag geweest. Het lichaam heeft zo haar eigen herinneringen en ik moest gaandeweg leren om ook die symptomen serieus te nemen en niet af te doen als psychosomatisch.

Totdat de baas van mijn therapeut na wat rekensommen opgelegd door de zorgverzekeraars besloot de stekker uit mijn therapie te trekken. Berry moest maar gewoon al zijn tijd aan de opname-afdeling besteden en die langdurige traumapatiënten moesten maar weg. Daar was ik er één van.

Dat was 6 maanden geleden. Ik schreef een brief met goede argumentatie aan de baas en ik kreeg een kattebelletje met spelfouten terug. Van die ongeïnteresseerde houding raakte ik zo overstuur dat ik in mijn oude gedrag van hevige suïcidaliteit schoot en ’s avonds deed ik een zelfmoordpoging.
We zijn nu een paar maanden verder, en mijn therapeut en ik hebben nog wat door gekrabbeld en ik heb enkele weken respijt van stoppen van therapie gekregen omdat ik ernstig ziek ben geworden (necrose in mijn kaak). Maar nu is het dan toch op.

Common sense als inschatting van de therapeut samen met de patiënt over het afronden van de therapie op het moment dat ik voldoende integratie heb bereikt is buiten beschouwing gelaten. Mijn therapie heet integrale trauma therapie, maar er zijn geen doelen meer gesteld voor mijn herstel. Ja, de termijn van enkele weken is wel gesteld, er staat dan dat ik dan beter ben, maar dat is een fictieve doel, want ik heb wel alles op alles gezet, maar ik haal deze eindstreep niet, eenvoudig, omdat er nog een rest van de traumatische inhoud niet is gedeeld en er dus een deel blijft zitten.

Algemeen kun je stellen dat het laatste deel van de therapie het zwaarst is, en hier word ik in de steek gelaten. Dit voortijdig afbreken, waarmee nu al een half jaar is gedreigd en waar ik zo in mijn eentje tegen heb gestreden zonder hulp is in zichzelf traumatiserend. Er is tot op heden geen nazorg geregeld en het geld is belangrijker dan het welzijn van de patiënt.

Het is alsof de hersenchirurg zegt, ik heb geen tijd om de operatie af te maken. De patiënt heeft hier en daar tijdens OK nog zelf aangegeven waar hersentumorweefsel zit, dat is sporadisch nog weggehaald. Nu is de tijd van OK voorbij. De wond wordt opengelaten, er wordt geen drain aangebracht. Het geld is op… patiënt gaat met open hoofdwond naar huis.

acceptatie

absoluut niet

De afgelopen dagen waren een ramp.

Vorige week ging het prima, ik had vanuit de therapie een flow van omgang met boosheid van vroeger en in het hier-en-nu erbij blijven en zaken van vroeger en nu goed scheiden. Jawel, in de omgang met partner en zoon lukte het al heel aardig. Wanneer er irritatie ontstond kon ik het van een afstandje bekijken en tegen de ander zeggen, laten we het even vanuit het hier-en-nu bekijken en vooral geen oude koeien uit de sloot halen.

Totdat er zich iets aandiende dat niet eens mij aanging maar één van mijn geliefden en ik in één keer weer terug bij af lijk. Razend en nog eens razend. Uit verdediging en zelfverdediging ik weet het maar toch.

Het effect is het volgende: over alles komt een saus van rauwe boosheid te liggen en als iets daaraan raakt, explodeert de inhoud. De pijn is ondraaglijk en het gevoel van gevangen zijn in lichaam en geest is onhoudbaar.

’s nachts

Aan het einde van de avond overheerst de moeheid en de wanhoop over de geleden dag en sukkel ik wel in slaap. Maar ’s nachts, dan komen de demonen. vooral één .

Hij vertelt me dat alles is mislukt de afgelopen dag. Hij vertelt me dat ik een mislukking ben en dat elk pogen om tot een verbetering te komen gedoemd is te mislukken. Hij zegt me dat er een mooi velletje aan de buitenkant zit. Een vel dat mensen misschien zien maar dat er van binnen een gedrocht zit. Iets dat er zit en dat hetzelfde is als de dood. En dat het misschien beter is dat maar gauw overeen te laten komen met elkaar. Niets kan hem daarvan afhouden. Het heeft dan ook geen zin om nog naar de therapie te gaan.

Het gewauwel over kinderbedjes en de verzorging door engelen: daar trapt hij ook al niet in. Niemand kan van Esther houden omdat hij hier verborgen is.

de volgende morgen

Bij het opstaan komen onze honden Charly en Flower mij liefdevol en enthousiast begroeten en ik krijg een knuffel van Alexander. Ik ben meteen in verwarring met wat me op het netvlies staat van de nacht en de dag ervoor. Het zware gevoel verdwijnt niet, maar staat wel te schudden. Ik voel van binnen hoeveel vraagtekens er zijn en hoe schrapend het verdriet is. Maar tranen komen er niet. Die mogen er vooralsnog niet zijn.

Mee

Ik ga mee in de dagelijkse gang van de dingen, mee naar het ziekenhuis voor Alexander en hij gaat met mij mee naar B, mijn therapeut. Zo doen we dat voor elkaar. Wel raar als ik bedenk van binnen dat er geen liefde zou zijn in mijn bestaan. Ik zit nog niet bij B aan het bureau of hij zegt: heey, wat kreeg ik een aparte mail van je! wattisser aan de hand? En hortend en stotend probeer ik woorden te vinden voor de nachtmerrie die zich voltrekt in mijn hoofd. Geen zachte blauwe bedjes waar mijn kinddelen in kunnen rusten, maar flarden kou en pijn. Messteken gemene woorden van daders die alles om zeep helpen. De hand van B schuift over de tafel naar me toe, rustig als altijd: ik begrijp je, ik geloof je, en ik snap het heel goed. maak maar contact.

acceptatie. geen.. ik moet jou niet..

acceptatie. geen.. mensen zijn nu eenmaal  niet te vertrouwen..

acceptatie. geen.. je mag niet voelen, je mag niet boos zijn.. je mag geen verdriet hebben..

Ochtendgloren

Iemand vertelde mij toen ik zo diep verloren was,

Dat de merel juist gaat zingen wanneer de nacht het zwartst en koudst is

Het moment dat het eerste licht verschijnt en de nacht doorbreekt.

Afbeeldingsresultaat voor ochtend

Iemand vertelde mij toen ik zo diep verloren was,

Dat de merel juist gaat zingen wanneer de nacht het zwartst en koudst is

Het moment dat het eerste licht verschijnt en de nacht doorbreekt.

De donkere jaren heb ik dat beeld in mijn herinnering gehouden

maar ontwaarde geen licht in de duisternis.

Er voelde geen hoop in het schreeuwen van de wanhoop

en tegen het einde van de zwarte jaren verdiepte het donker zich tot

nog kouder nog pijnlijker en eenzamer.

In nevels en uit diepten van poelen rezen inktzwarte beelden

die onbegrepen onwetend en dwalend huilden.

Van angst trillend lag ik daar eindeloos zolang het leek.

Een zachte stem wenkte het begin van een beweging.

Totaal wankel nog om te ontwaren wat daar komen ging,

en zo op handen en voeten vol schrijnende pijn leek het

of de stem ongelijk had gehad;

tot het zacht roze oranje mijn oog binnenviel

en ik met bevende oogleden ontwaakt

een nieuw begin van glimlachen en dageraad.

De donkere jaren heb ik dat beeld in mijn herinnering gehouden

maar ontwaarde geen licht in de duisternis.

Er voelde geen hoop in het schreeuwen van de wanhoop

en tegen het einde van de zwarte jaren verdiepte het donker zich tot

nog kouder nog pijnlijker en eenzamer.

In nevels en uit diepten van poelen rezen inktzwarte beelden

die onbegrepen onwetend en dwalend huilden.

Van angst trillend lag ik daar eindeloos zolang het leek.

Een zachte stem wenkte het begin van een beweging.

Totaal wankel nog om te ontwaren wat daar komen ging,

en zo op handen en voeten vol schrijnende pijn leek het

of de stem ongelijk had gehad;

tot het zacht roze oranje mijn oog binnenviel

en ik met bevende oogleden ontwaakt

een nieuw begin van glimlachen en dageraad.

De Weg naar Heelwording: de gevolgen van misbruik en herstel in een religieuze context

“The mother-child relationship is paradoxical and, in a
sense, tragic. It requires the most intense love on the mother’s
side, yet this very love must help the child grow away from
the mother, and to become fully independent.”
Erich Fromm

Samenvatting
Opgroeien in een religieuze context geeft een kind een mensbeeld, wereldbeeld en godsbeeld mee.
Als een kind echter tegelijkertijd slachtoffer is van seksueel misbruik, komt het in de knoei met deze
normen en waarden, kan dat niet in zichzelf verenigen en de werkelijke ervaringen gaan ondergronds.
In dit artikel schets ik de ervaringen uit mijn eigen leven, waarin seksueel misbruik als dreigende achtergrond
altijd aanwezig was. Maar ook, hoe ik daaruit een weg naar heelwording aan het vinden ben.
Aan het eind hoop ik enkele aanbevelingen te doen, voor lotgenoten, maar zeker ook voor mensen
die op de een of andere manier zich het lot aantrekken van mensen met een traumatisch verleden.
Trefwoorden: trauma, dissociatie, seksueel misbruik, herstel

Opgroeien in een christelijk gezin met twee gezichten Lang heb ik gedacht, dat ik uit een perfect gezin
kwam. Beide ouders waren maatschappelijk aanvaarde en gewaardeerde mensen, alle kinderen gingen naar het gymnasium en daarna studeren. We leken wel een succesformule en stonden als zodanig ook in het dorp bekend. Toen ik nog een jong meisje was, zaten we met z’n allen iedere zondag netjes in de kerk, we praatten na over de preek bij een kopje koffie en ’s middags gingen we samen wandelen of fietsen. Ik herinner me, hoe we af en toe ’s winters aan tafel met z’n allen een spelletje konden doen en hoe goed we allemaal naar onze ouders luisterden. Zonder te willen noemen wie de daders waren, wil ik ook een andere kant van dit ogenschijnlijk harmonieuze, vlekkeloze bestaan belichten. Al vanaf mijn zeer vroege jeugd was er sprake van
misbruik. Ik herinner me de eerste keer nog zo levendig, dat het lijkt alsof het gisteren is gebeurd.De angst en paniek was zo overweldigend en ik was nog zo klein, dat het leek alsof de hele wereld op me viel en me verpletterde. Zo volgden nog zeer veel ervaringen van geweld. Het bleef niet bij betasten, maar het ging over tot stelselmatig verkracht worden binnen de kring van bekenden en daarbuiten. Het stopte pas definitief toen ik uit huis
ging op nog net geen 18-jarige leeftijd en heel soms was er daarna ook nog dreiging. Op mijn 22e heb ik geprobeerd er met mijn moeder over te praten. Ze ontkende niet dat het gebeurde, maar zei, dat zij veel erger had meegemaakt, en dat ik maar niet meer alleen naar die bewuste persoon toe moest gaan. Zelfs op de dag dat ik met Alexander – mijn partner – trouwde, was er nog dreiging van geweld, maar dat heb ik zelf weten te keren.
Zo kon het zijn, dat ik in de nacht van zaterdag op zondag gemolesteerd werd, en de familie op zondag voor in de kerk zat. Soms hoefde ik niet mee, ‘omdat ik wel te moe zou zijn’. Er gebeurden ook vreselijke dingen door de week en ik moest toch de volgende morgen vroeg weer naar school, me concentreren, tests doen. Het was bijna onmogelijk, maar het lukte me, door wat er zich ’s nachts afspeelde totaal weg te blokken. Er waren
wel signalen, die ik onbewust liet zien aan de buitenwereld. Zo beschadigde ik mezelf heel heftig in
die jaren, maar het werd afgedaan als ‘eczeem’. Op school werd het normaal gevonden, dat ik als enige
meisje van de klas met gymnastiek een lange broek droeg en slechts eenmaal vroeg de lerares Engels
of ik me goed voelde.1 Uit angst haastte ik me te zeggen dat het prima ging. In de zesde klas probeerde
ik de aandacht van een leraar geschiedenis te krijgen, maar wist niet hoe dat moest en deed het op een seksuele manier, waardoor het misschien logisch was dat hij me op afstand hield. Nergens kwam in me op, om op een directe manier te kunnen uiten dat er iets goed mis was. Ik wist ook niet hoe dat moest. Ik had niet geleerd, om te mogen aangeven dat ik in gevaar was, iedere dag opnieuw.Het was een diep verborgen wereld. Alles wat ik
leerde, was om de mythe van het perfecte gezin hoog te houden. Dat was heel mijn leven. De gevo lgen van het misbruik Hoe diep misbruik ingrijpt in alle facetten van het bestaan is bijna niet voor te stellen als je het niet
aan den lijve hebt ondervonden. Vaak wordt gedacht, dat wanneer een kind (zeker een heel jong kind) ellendige dingen meemaakt, het dat later wel hoegenaamd vergeten zal zijn. Of dat je, als je maar een ‘gewoon’ leven leidt, je dat allemaal als vanzelf achter je kunt laten. Judith Herman beschrijft al, hoe veelomvattend gevolgen kunnen zijn van een eerder opgelopen trauma: ‘Traumatische gebeurtenissen tasten fundamentele menselijke relaties
aan. Ze maken inbreuk op familie-, vriendschaps-, liefdes- en gemeenschapsbanden. Ze brengen ernstige
schade toe aan de structuur van het zelf dat in relatie met anderen wordt gevormd en in stand gehouden.
Ze ondermijnen de geloofssystemen die zin geven aan de menselijke ervaring. Ze schenden het vertrouwen van het slachtoffer in een natuurlijke of goddelijke orde en leiden tot een existentiële crisis’ (Herman, 1993, p. 75).
Hoe ik ook mijn best deed een normaal leven te leiden en de herinneringen te onderdrukken die ik had, er kwamen al snel scheuren in mijn schijnbare normaliteit. Zo kon het gebeuren dat ik echt alles aan een tentamen had gedaan om het maar in mijn hoofd te stampen en dan zat ik tijdens het tentamen met afgrijzen naar de lijst met vragen te
kijken, omdat ik niet eens de boektitel herkende, waar ik al die weken op had lopen blokken, laat staan de inhoud van de leerstof. En tijdens een college psychologie waarin een film werd getoond, raakte ik zo overstuur dat ik met hevige hyperventilatie de zaal uit probeerde te komen en met pijn op de borst klachten een dag later naar een huisarts moest. Hoezeer de trauma’s echter invloed hadden op elk terrein van mijn leven werd duidelijk toen ik
in verwachting was van mijn kindje. Al een maand voor de bevalling werd ik heel erg nerveus. De verloskundige
heeft achteraf wel gezegd dat ze van alles aan me merkte, maar ze wachtte totdat ik zou gaan vertellen. Ik weet niet of het had uitgemaakt als ik het had aangedurfd om eerder naar buiten te komen met mijn angsten, maar de bevalling verliep ronduit traumatisch, omdat ik een aaneenschakeling van herbelevingen aan verkrachtingen
had tijdens de bevalling. Als ik mijn kindje maar in mijn armen had, was alles goed, maar ik was ook intens bang om iets fout te doen bij de baby en durfde het nauwelijks in bad te doen, of maar kleertjes aan te trekken. Ergens had ik het idee dat ik misschien wel iets zou breken aan het kindje, en ik durfde mijn moederschap niet te omarmen.
Doo r misbruik verlies je alles
Korte tijd daarna werd ik opgenomen in de psychiatrie.Naaste familie belde op met de vraag of zij langs moesten komen als ik dood zou gaan en begraven zou worden, andere familie vroeg zich af wie er nou eigenlijk loog en weer andere familie kon en wilde niet langskomen, omdat het de kant van de daders koos. De overweldigende rouw en
eenzaamheid was niet te hanteren, omdat ik tegelijkertijd moest opboksen tegen de onkunde en onwil van het verplegend personeel op de psychiatrische afdeling. Ik leed aan de raarste verschijnselen, althans, zo voelde dat voor mezelf. Maar ook de psychiatrie wist zich er geen raad mee, en deed mij af als iemand die veel fantasie heeft. Tijdens een andere opname kreeg ik wel de diagnose posttraumatische stressstoornis (Van der Hart, 2010), maar
alsnog werden een hele rij symptomen genegeerd en gebagatelliseerd. Het kwam voor dat ik midden in de nacht zo
overspoeld werd door herbelevingen, dat de nachtverpleegkundige mij op de meest vreemde plaatsen terugvond, onder tafels, onder het bed, maar ook in de kast die eigenlijk veel te smal was voor mij om in te komen. Hij moest me er dan met twee handen weer uittrekken. Ik was zelf dan ook verbaasd dat ik daar zat en kon me dan ook niet of
nauwelijks herinneren dat ik daar in was gaan zitten, omdat ik in mijn hoofd klein was en me voor een van de daders verstopte. Het kwam ook voor dat ik aan tafel zat met medepatiënten en opeens in elkaar zakte en geen enkele mogelijkheid meer had om te reageren. Het voelde alsof ik diep weg in een tunnel zat en van ver vervormd de stemmen van mijn omgeving kon horen (Nijenhuis, 1999).
Maar ik kon in die toestand niets meer bewegen en verkeerde in een diepe angstige leegte. Herhaaldelijk probeerde ik te vertellen wat er in me leefde aan schrikbeelden, aan films die vierentwintig uur per dag werden afgedraaid over de meest vreselijke gebeurtenissen uit mijn jeugd, maar het lukte me nauwelijks om meer te zeggen
dan: ‘Er zijn vreselijke dingen gebeurd.’ Zelfs dat was al aanleiding genoeg om zo verschrikkelijk bang te worden dat ik maar één uitweg leek te zien en dat was de dood. De doodswens en zelfbeschadiging die daar vaak bij leek te horen brachten de allerergste paniek soms ietwat tot rust en suïcidepogingen leken een katalysator voor de extreme uitputting die met de voortdurende angst en spanning samenhing. Er was geen moment op de dag dat ik
niet geconfronteerd werd met herinneringen aan verkrachtingen en mishandelingen. Ik smeekte de behandelaars dan ook, om mij te helpen bij wijze van catharsis door de ellendige herinneringen heen te gaan. Ik werd uitgelachen. Natuurlijk zou dat niet gaan, zo redeneerden zij, omdat ik dan volledig zou kunnen decompenseren. Waarop ik hen
verzekerde, dat wanneer ik door zo’n ellendige stapel herinneringen heen moest worstelen, dat nooit zou gaan zonder het naar buiten komen van heftige emoties. Natuurlijk trok ik aan het kortste eind, en werd mijn verzoek herhaaldelijk afgewezen. Strijd om een diagnose Nog erger was de strijd om de diagnose. Ik had nooit kunnen bevroeden dat mij iets dergelijks bijna mijn leven zou kunnen kosten – en toch was het zo. In het geheim las ik boeken over incest, over diagnoses, omdat ik gewoon niets begreep van de wisselingen en stemmen in mijn hoofd.
Een mevrouw die een proefschrift had geschreven wilde me voor diagnostiek wel ontvangen en zij vertelde mij na uren ondervraging, dat ik een dissociatieve identiteitsstoornis (Van der Hart, 2010)
had, wat voorheen ook wel een ‘meervoudige persoonlijkheid’ werd genoemd. De behandelaar was echter een non-believer2 als het om DIS gaat en zei dat ik dan maar de diagnose moest bewijzen. Ik zou daar drie weken voor krijgen en dan zou hij zijn conclusies trekken. Alleen: ik was zo bang dat ik iets moest laten zien dat ik niet begreep, dat ik me opsloot in mezelf en drie weken lang een bang vogeltje was. De conclusie van de behandelaar was
dan ook dat ik geen DIS had. Daarna raakte ik zo gedesillusioneerd ten aanzien van de juiste hulp, maar misschien was het meer nog, dat ik in mezelf aanvoelde dat ik totaal niet begrepen en geaccepteerd werd en het resulteerde in de meest ernstige depressie die ik ooit heb doorgemaakt. Als ik in die tijd geen partner had gehad, zou ik
het waarschijnlijk niet overleefd hebben. Alexander zocht en vond een therapeute die mij toch wel in behandeling wilde nemen. Ik zat van top tot teen onder het eczeem (ik leek wel melaats), huilde bijna dag en nacht en had totaal geen eigen wil meer. In eerste instantie was het fijn om bij deze psychotherapeute te komen, omdat zij niet bang was voor mijn ernstige suïcidaliteit. Wat echter later problematisch werd voor mij, was dat zij niet werkte met
een diagnose of een therapie-plan. Misschien nog een groter probleem was dat deze therapeut geen grenzen stelde. Eerst mocht ik drie keer per week komen, te allen tijde bellen en ook dat leek heel fijn en goed, maar ik merkte na een poos, dat zij dat niet volhield, terwijl ik steeds afhankelijker van haar werd en mijn angst werd bewaarheid: ze wees me af.
Suïcidaliteit – als er geen andere uitweg meer is
Keer op keer belandde ik met ernstige suïcidaliteit in de gesloten afdeling van de psychiatrie. Ik had het idee, als ik binnenkwam, dat ik bij het meubilair hoorde. Tijdens de schaarse contactmomenten werd tegen mij gezegd dat ik onbehandelbaar was, dat ik er niet op moest rekenen ooit nog beter te worden. De laatste opname kenmerkte zich door extreme nalatigheid van de verpleging. Ik had geen intakegesprek gehad, had niet gegeten of gedronken
en wat erger was, niemand had zich verantwoordelijk voor mij gevoeld. Het was zo moeilijk om je menswaardigheid te behouden als niemand in je mens-zijn geloofde. Het zou echter nog jaren duren voordat ik grip zou krijgen op de ernstige suïcidale gevoelens die ik van binnen met me meedroeg. De reacties van mensen uit de religieuze context
Omdat ik zelf uit een christelijke context kom, lijkt het me zinvol om ook de reacties die ik uit deze context heb ondervonden, te beschrijven. Toen ik het woord ‘incest’ naar buiten bracht, een woord dat ik nog steeds nauwelijks kan uitspreken, viel eigenlijk alles weg. Veel ‘oude vrienden’ kwamen niet meer langs en zeiden dat zij het niet aankonden en mijn familie liet me in een klap vallen. Ik was het zwarte schaap en misschien voelde het voor hen, dat als ze mij uit de familie zouden snijden, dat dan het perfecte gezin zo goed mogelijk intact zou blijven. Ik
werd opgenomen in de psychiatrie, de eerste keer met mijn kind, maar de tweede keer zonder mijn kindje. Ik had het gevoel dat ik mijn moederschap moest opgeven juist om later in het leven van mijn kindje weer moeder te kunnen zijn. Jarenlang heb ik over deze pijn niet kunnen spreken. Het was te erg en te heftig. Wat wel heel bijzonder en troostrijk was, was dat mensen uit de kerk waar we lid van waren, mijn man en kindje elke dag uit het
ziekenhuis ophaalden omdat wij geen auto hadden. Zo kon het kleine ventje uit zijn Maxi-Cosi zo in zijn bedje geheveld worden. Deze zorg en nabijheid van gemeenteleden stond in schril contrast tot de leiders van de kerk die ik sprak.Omdat ik zelf zo kerkelijk ben opgevoed zocht ik allereerst hulp bij predikanten. Eén van hen dwong
me binnen een half uur in detail te gaan over een van de daders, wat ik echt helemaal niet durfde. Maar omdat hij maar bleef aandringen kwam er met horten en stoten een heel klein detail uit.Daarna ging hij met mij bidden, dat ik de dader toch maar zou vergeven (Adams & Fortune, 1995).
Ik voelde me vreselijk na dit bezoek. Had het gevoel dat deze dominee ook over mijn grenzen was gegaan en dat hij als een voyeur meegekeken had naar iets waar ik me vreselijk voor schaamde en me schuldig over voelde.
Veel schokkender was echter het bezoek dat ik kreeg tijdens een van de eerste opnames, van de dominee uit mijn jeugd, die ook mijn familie goed kende. Hij stond ’s avonds om negen uur opeens voor mijn neus, met zijn armen wijd opengespreid en riep: ‘Hier ben ik’. Dat alleen al maakte me enorm aan het schrikken. Vervolgens vertelde hij
mij dat ik alleen geestelijk incest had meegemaakt en gaf mij geen kans te antwoorden. Hij liet mij in vertwijfeling achter.
In de tijd dat ik bij de ‘grenzeloze mevrouw’ in therapie was, had ik ook intensief contact met de wijkpredikant waar ik toen woonde. Hij deed enorm zijn best om nabij te zijn en in de psychiatrie stelde hij zich eerder al voor als ‘huisvriend’.Ik kon niet in mezelf de afstand en nabijheid reguleren naar deze predikant toe en het eindigde dan
ook met een conflict over te grote nabijheid, bijna op hetzelfde moment dat de therapie ook vastliep. Ik vond het heel naar en verantwoordelijk voor het spaaklopen van deze relatie. Opnieuw voelde ik me slecht en vies.

Tijdens een opname in de psychiatrie ontmoette ik een humanist. Bij hem vond ik gehoor en erkenning voor wie ik op dat moment was. Voor hem was present zijn het allerbelangrijkste en voor mij was dat, op dat moment, ook wat ik erg nodig had. Zijn boodschap: ‘Je mag er zijn’, met alles wat ik ben, was op dat moment meer bevrijdend dan
welke kerkelijke boodschap ook. Temeer daar ik in de kerkgemeenschap waar ik toen verbleef, het tegenovergestelde meemaakte. Bij een koor waar ik lid van was, werd ik teruggezet, omdat ik teveel
repetities miste (vanwege een aantal opnames in de psychiatrie). Veel mensen konden mij alleen nog
zien als de psychisch zieke en een aantal vermeed het contact met mij. De afwijzingen in het dagelijks
leven waren ronduit traumatiserend. Helaas ging de humanistische geestelijk verzorger met pensioen en ik kon religie en kerk even niet meer verdragen.
Misschien zou ik het als volgt kunnen samenvatten:de heersende theologische praktijk, bood geen soelaas voor mijn lijden. Er heerste een chronisch gebrek aan het onderkennen van het slachtoffer dat snakt naar bevrijding binnen de gevestigde theologie. Kerkmensen waren vooral uit op het handhaven van een prettige binnenkerkelijke

status quo en wilden zich liever niet laten opschrikken door dit soort existentiële nood. Ik had behoefte aan een andere benadering: een religie met ruimte: ‘het primaat van de theologie ligt bij het engagement met bevrijding, vanuit het perspectief van de arme, verdrukte en gekwetste mens’ (Veerman, 2005, p. 234).
Een weg zoeken naar herstel
Inmiddels had ik zelf nog een keer een second opinion aangevraagd bij een trauma-therapeut. Ik mocht komen en de psycholoog nam een vragenlijst met me af. Bij een aantal vragen werd er zoveel opgeroepen dat voor mijn gevoel de hele kamer veranderde in een andere ruimte, een plaats waar ik vroeger misbruikt was. Ik werd ook heel klein.Het was zo’n rare gewaarwording. Later legde de psycholoog uit, dat ik in een klein meisje was veranderd
dat in traumatijd leefde. Deze psycholoog vertelde me, dat hij dacht, dat ik inderdaad een dissociatieve identiteitsstoornis had, en dat ik voor onderzoek naar het traumacentrum moest gaan.

Anderhalf jaar later (want de wachtlijsten zijn erg lang bij de traumacentra) kwam ik bij dezelfde therapeut
in behandeling. Hoe moeilijk het was om dit voor elkaar te boksen bleek ook wel uit de reacties van verpleging daar waar ik opgenomen was: ‘het lukt je nooit, jij bent onbehandelbaar, deze beroemde psycholoog heeft toch geen tijd voor je’, en meer opmerkingen moest ik doorstaan om het te wagen contact te zoeken.
Eenmaal begonnen aan deze nieuwe therapie, was ik inmiddels zó bang en zó wantrouwend, dat ik de eerste sessies nauwelijks durfde praten, tegen de deur aangeplakt stond van angst, en zonder dat ik het heel goed besefte, wachtte op een lichamelijke aanval. Ik was zo in de war, het ene moment verstijfd, het andere moment liggend op  de grond, een volgend moment verstopt achter de bank, dat ik zelf totaal niet kon volgen waarom ik
deed wat ik deed. Het was zelfs zo, dat ik wel in de verte begreep dat de therapeut tegen me sprak, maar ik eigenlijk niet of nauwelijks de woorden kon horen. Bovendien zag ik heel vaak als door een mist, of leek de kamer niet eens op de ruimte waar ik me eigenlijk bevond, maar veel meer op plaatsen waar ik vroeger misbruikt was (Nijenhuis, 1999).
Ik herinner me dat ik een keer van de therapeut naar buiten moest kijken en hem moest vertellen welk jaargetijde het was, en dat ik wel bomen zag en merkte dat de zon scheen, maar ik eigenlijk zo slecht zag, dat ik niet kon vertellen of het nu zomer, lente of herfst was. Later begreep ik, dat ik meer in traumatijd verkeerde, dan in het eigenlijke hier en nu, en dat ik me vaak ook heel anders en veel jonger voelde (vaak een jong meisje) dan de
volwassen vrouw die ik inmiddels was. Wat er eigenlijk aan de hand was, was dat de herinneringen aan de traumatische gebeurtenissen mij bijna dag en nacht overspoelden. Daardoor kon ik moeilijk contact maken met mensen in het heden, of met mijn eigen lichaam of geest. De traumatische herinneringen werden voortdurend
overnieuw ‘afgespeeld’ als een langspeelplaat die maar blijft hangen. Het repeteren van de traumatische
herinneringen was in de nacht het ergst. Zo kon ik voetstappen van een van de daders op de trap horen, terwijl er in feite in het hier en nu niets anders te horen was, dan de wind die om het huis blies.
Een van de eerste dingen die ik ging leren, was dat al die kleine stukjes Esther, al die deeltjes van de persoonlijkheid samen één Esther vormden, en dat ik in de toekomst zou gaan leren om met al die delen samen te werken, in plaats van net te doen of ze niet bestonden, of me ertegen verzetten, of ze af te straffen of te proberen ze dood te maken. Het tweede wat ik ging leren, was om samen met die delen op een plek in mijn geest/hoofd samen te komen, die ik kon inrichten als een veilige plek (Boon, Steele & Van der Hart, 2012). Daar konden
de verschillende stukjes Esther (die ik beleefde als verschillende personen in mijzelf) een beetje tot rust komen, zich een tikje veiliger voelen, en ook als ze zover waren, een heel klein beetje delen waarom ze er waren, en welke stukjes traumatische herinnering zij bij zich droegen.
Het moeilijkste was toch wel om vertrouwen (Roodvoets, 2011) in de therapeut te krijgen. Vanuit mijn jeugd had ik om moeten gaan met vertrouwen dat telkens weer beschaamd werd, veiligheid die schijn-veiligheid bleek en het moeten leven met mensen, die feitelijk maskers van normaliteit droegen, maar daaronder heel andere veile bedoelingen hadden. Ik had wel iets over me van: het is alles of niets met deze therapie. Daarom was mijn inzet
ook wel enorm groot, en tegelijk waren de angst en de spanning ook enorm opgebouwd. Waar ik mijn leven lang naar verlangd had, was iets te begrijpen van wat er in mijn hoofd en lichaam gebeurde. Ik was al zo vaak op een eerstehulppost geweest, of opgenomen in de psychiatrie en nooit had iemand mij uitgelegd waar mijn symptomen op duidden, of het was al als aanstellerij bestempeld. Dat kwam overeen met de opmerkingen uit mijn jeugd. Ik
zou over-emotioneel zijn en me aanstellen. Nu echter vertelde mijn therapeut me, dat de symptomen waar ik mee kampte, trauma-gerelateerd waren en ingegeven werden door vastzittende traumatische herinneringen in mijn geest en lichaam.Ik was heel ongeduldig en wilde zo snel mogelijk met de ellendige herinneringen aan de slag
gaan, maar dat mocht eerst niet. Ik moest leren een veilige plek te creëren in mezelf waar ik enigszins tot rust kon komen, en ik moest leren om beter voor mezelf te zorgen. Dat waren eenvoudige dingen als goede slaap, gezond eten, en het stoppen met relaties, die mij onder druk zetten of claimden. Dat laatste moet ik nog steeds oefenen
(Boon, Steele & Van der Hart, 2012), omdat het niet altijd eenvoudig is, om te begrijpen met welke bedoelingen iemand contact met me heeft, en het slapen werd veelvuldig gestoord door nachtmerries en herbelevingen. Een oefening die ik me nog goed herinner, is dat ik een tijdlijn moest maken, van alle jaren van mijn leven, en daarop aangeven wat mijn ervaringen waren, en of ik dacht dat ik op een plek soms ook me klein voelde, of dat daar
een stuk van mijn persoonlijkheid zich had afgesplitst. Een hele week werkte ik fulltime aan die tijdlijn en ik kwam de volgende therapie met 14 pagina’s tekst. Ik herinner me dat ik op de bank lag bij mijn therapeut en alleen maar heel zachtjes kon herhalen, ‘ik voel me zo ziek, zo ziek’. Zo verschrikkelijk bang was ik op dat moment dat de ellende zich zou herhalen.
Gaandeweg de eerste tijd begon ik te onderscheiden dat de therapeut toch iemand anders was dan de dader(s). Ik merkte hoe ik dat steeds had verward, en door deze differentiatie kon ik heel langzaam iets van vertrouwen opbouwen met de therapeut. Dat was de aanzet om dieper op de herinneringen en nachtmerries in te gaan en ze
te gaan onderzoeken. Wat me vooral is bijgebleven is hoe lichamelijk seksuele trauma’s bewaard worden en tot uiting komen. Op het moment dat ik het aandurfde om het woord ‘verkrachting’ uit te spreken, heb ik vier maanden aan één stuk gevloeid. Onderzoek door een gynaecoloog liet geen duidelijke aanwijzing zien voor deze aandoening
en het is ook weer vanzelf opgehouden. Een ander moment werd ik met hartklachten opgenomen in het ziekenhuis. Er werd besloten tot een hartkatheterisatie en naar dat onderzoek toe heb ik 24 uur aan een stuk overgegeven. Zo bang was ik voor het feit dat er iets in mijn lichaam gestopt zou worden. Een telefonische interventie van mijn
therapeut was nodig om mij te helpen realiseren dat er weliswaar iets in mijn lichaam ingebracht zou worden, maar dat dit was om mij te helpen genezen, dus niet ten kwade maar ten goede. Het overgeven stopte en ik kon de ingreep redelijk goed doorstaan. Er bleek niets mis met mijn hart (dan af en toe wat hartritmestoornissen ten gevolge van de stress). Helaas heb ik wel een progressieve oogafwijking (keratoconus in beide ogen), moeilijk te reguleren astma, en fibromyalgie, waarvan ik geloof dat ik het op z’n minst in veel minder heftige mate zou hebben, als ik niet ook al die psychische trauma’s met me mee droeg. Maar de moeilijkste fase moest nog komen. Dat was de fase waarin de conditionering in mezelf aan de oppervlakte kwam, dat ik dacht dat alle mannen die dichterbij kwamen uit waren op seks.Het was een overtuiging die ik uit mijn vroege jeugd had meegenomen het volwassen leven in en in de opbouw van het vertrouwen, laten we zeggen: het opnieuw leren vertrouwen van een ander mens, kwam dit haarscherp naar voren. Therapie na therapie werd ik intern geconfronteerd met de
angst dat mijn therapeut vroeg of laat seks met mij zou hebben. De angst en spanning werd zo ondragelijk dat delen in mij dan maar besloten het te vragen, of aan te bieden. De nachtmerrie die ik intern mijn hele leven bij me had gedragen werd nu uiterlijk zichtbaar en voelbaar. De schaamte en het schuldgevoel die hierbij tot uiting kwamen waren bijna niet op te vangen in mezelf. De angst voor herhaling was verschrikkelijk. En toch, dat
ik dit telkens opnieuw met mijn therapeut durfde aan te gaan, leek uiteindelijk ook juist toe te werken naar meer vertrouwen. Immers, ergens in mij moest toch wel de overtuiging groeien, dat ik dit in veiligheid bij hem kon neerleggen? Het oefenen en steeds weer meemaken, dat het niet mis zou gaan?
Existentiële levensvragen
De waarden en normen die ik als kind had aangenomen zijn allemaal op de helling gegaan door het vreselijke en intense lijden dat ik heb moeten doormaken bijna al mijn levensjaren. Ik ben opgegroeid met ontzag voor autoriteit, de wetten uit de Tien Geboden en een absolute gehoorzaamheid als kind naar ouders en anderen toe. God ging
daar bovenuit en had dezelfde strenge en absolute autoriteitstrekken (Adams & Fortune, 1995).

Als mens had ik niets in te brengen, eigenlijk ook geen eigen wil. Meer nog, mijn wil was al vroeg gebroken.
De vragen waar ik voor kwam te staan waren immens groot. Allereerst: was God er wel? Die vraag werd prangend, toen ik als jonge moeder op de PAAZ terechtkwam, maar meer nog, toen ik in de separeer terechtkwam, wegens ernstige suïcidaliteit. Op die plek, vier witte muren en een bed in de grond, zonder ramen, een hermetisch afgesloten deur, verloor ik alle moed om te leven. Het leek of er geen god was, geen wereld, maar meer
nog: het leek er vooral heel sterk op, dat er voor mij geen plaats was in deze wereld. Maar ik was ook zeer angstig om dood te gaan. Stel dat God mij ook niet had gewild? Stel dat er voor mij nergens een plaatsje was, niet in deze werkelijkheid maar ook niet bij God? Het leven deed zoveel pijn. Mij was geleerd dat ik dood moest, als ik zou praten, er was daarom nergens een uitweg. Het lijkt een eigen wil, om dood te willen, maar ik heb het altijd
beleefd als een ultieme angst om nog een minuut door te leven, de angst dat de afgrijselijke dingen zich herhalen. Het lijkt dan geen keuze die je kunt maken, maar het is een drang om er een eind aan te maken vanuit de dreiging van extreem geweld. Ook heel veel leerstellingen die ik als theoloog tijdens mijn studie en werk heb bestudeerd zijn
weggevallen, door het leren leven op de scheiding tussen leven en dood. Heel veel wat eerder belangrijk leek, verbleekt bij deze zeer basale strijd. En dat is ook gebleven. Het heeft vaak gebotst met de manier waarop andere mensen het leven, religie en levensvragen beleven. Zo kwam het voor dat ik enorm moest huilen tijdens een kerkdienst, omdat ik me totaal genegeerd voelde tijdens de preek, maar toen ik dat opnam met de betreffende
voorganger, zij tegen mij zei: ‘maar ik preek ook niet voor mensen zoals jij!’.
Omdat ik gaandeweg leer, om meer in het hier en nu te mogen leven, zijn voor mij woorden uit de Bijbel waarin het Koninkrijk van God al in het hier en nu begint en er juist is voor kinderen, wezen en weduwen (bijvoorbeeld de volgende tekst uit Marcus 10: 14. Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij.) Voor mijzelf betekent dat, dat het leven begint in het hier en nu, niet later, na dit leven. En voor mij is dit een motivatie om nu de strijd tegen kindermishandeling aan te gaan, en iets van dat Koninkrijk van God, dat rijk van vrede te trachten te bewerkstelligen voor mensen zoals ikzelf, en met name kinderen in nood.

Kerk en samenleving een veilige plek? Dilemma’s voor getroffenen
Veel van de taal in de kerk lijkt meer te passen bij de behoeftes van daders. Vaak wordt gepredikt dat wie in Jezus Christus gelooft, vergeving krijgt van zonden. Voor daders is dat een fijne passende boodschap, voor een getroffene is het niet bevrijdend (Ganzevoort & Veerman, 2000). Een getroffene draagt vaak de last van (vals) schuldgevoel met zich mee. Zij of hij voelt zich verantwoordelijk voor wat er is gebeurd, of de daders hebben het de getroffene opgedrongen dat het aan hen ligt, omdat zij verleidelijk waren, of omdat ze geen nee zeiden,
en de getroffene kan niet bevrijd worden van dat schuldgevoel, omdat het oneigenlijk is. Tegelijkertijd drukt het enorm op de eigenwaarde van de getroffene en laat een getroffene vaak in eenzaamheid
en vertwijfeling achter. En mocht een getroffene wel met haar/zijn verhaal naar buiten
komen dan is de druk van geloofsgenoten groot om de daders te vergeven, immers dan hoeven de omstanders
zich niet te realiseren hoe diep ingrijpend de gevolgen waren van de trauma’s en daarmee
wordt de status quo (dat de kerk een plaats is van liefde) gehandhaafd. Veel slachtoffers haken af in
een kerkelijke gemeenschap, en het blijkt ook hoe enorm moeilijk het is voor mensen om de trouw
op te brengen in het veelal zeer lange hersteltraject van een slachtoffer. Veel getroffenen doen daarom
ook enorm hun best om de schijnbare normaliteit vol te houden naar de buitenwacht toe, en laten
bijna niet zien, wat er zich werkelijk in hoofd en hart afspeelt. En zo blijft de non-realisatie van de
gemeenschap in stand. Wat we niet zien, dat is er ook niet Hoe zou het oo k kunnen?

Aanbevelingen voor getroffenen en mensen om hen heen.

Elke leefgemeenschap van mensen, en in mijn eigen context een kerkelijke gemeenschap, kan een verschil maken voor een geweldsgetroffene. Die mogelijkheid ligt in erkenning en steun van het lijden, de geschiedenis en het leven van de getroffene. Iemand die geweld heeft meegemaakt  is iemand met wonden en littekens, en is gevormd door zijn of haar geschiedenis. Als dat er mag zijn, is er al zoveel gewonnen. Ik heb zelf gemerkt, dat wanneer ik mag uitkomen voor wie ik ben, met alles wat ik heb meegemaakt, ik ook veel meer Esther kan zijn. En dat geeft toch een bepaalde innerlijke rust. Het hoeft niet telkens over de ellende te gaan, als het maar niet verzwegen hoeft te worden. Wanneer geweld in gezinnen plaatsvindt, is nu de tendens veeleer om gezinnen bij elkaar te houden en systeemgerichte therapie aan te bieden. Natuurlijk is dat in eerste instantie een aan te bevelen manier van omgaan met gezinnen, maar daar waar zulke diep ingrijpende trauma’s de levens van kinderen heeft ontwricht is het wel zaak om op te komen voor de verdrukte, en ook niet het kwaad wat aangedaan is, met de mantel der liefde te bedekken. En, voor alles, zal eerst de veiligheid van de slachtoffers ook gewaarborgd dienen te worden.
Voor slachtoffers van (seksueel) geweld die dissociatieve symptomen hebben, is het raadzaam om
een fase-gerichte traumatherapie aan te bieden. In tegenstelling tot de huidige idee dat de gezondheidszorg
kortdurend en goedkoop aangeboden moet worden, is een langdurige therapie juist
raadzaam, in de eerste plaats voor de kwaliteit van leven van het slachtoffer, maar ook met het oog op
kosten. Immers, wanneer iemand met een scala aan symptomen niet goed ondersteund wordt, dan
zal de veelvuldige escalatie van de problemen van het slachtoffer juist zorgen voor hoge zorgkosten.
Maar uiteraard is op een constructieve manier zorg dragen voor het immense lijden van deze patiënten
de eerste prioriteit. Tenslotte, binnen de Protestantse Kerk was er een oproep een paar jaar geleden, om daders
schuldbelijdenis te laten doen. Wat echter daarbij niet in aanmerking werd genomen was de ongelijktijdigheid
tussen de behoefte van de dader om snel schuld te belijden en door te gaan met zijn of haar leven, en het veelal zeer lange moeizame en pijnlijke traject van herstel dat een getroffene door
moet gaan, alleen al in realisatie wat haar of hem is overkomen, maar ook in het boos mogen zijn
en de schuld neerleggen waar die hoort. Als er al sprake zou kunnen zijn van vergeving van de dader door het slachtoffer, dan alleen aan het eind van dit lange proces, en ook alleen als een slachtoffer daar zelf behoefte aan heeft, of daaraan toe is. Voor mij is het altijd belangrijk om te bedenken wat Jezus zei toen Hij aan het kruis hing: Vader, vergeef hen, want zij weten niet wat zij doen (Lucas 23, 34). Niet Jezus zelf vergaf zijn daders, maar hij vroeg het aan zijn hemelse Vader.

Noten
1 ‘Onder signalen van slachtofferschap van seksueel
misbruik worden gedragingen, uitlatingen,
seksuele kennis, letsel en/of ziekten van
kinderen verstaan die aanleiding geven tot een
vermoeden van seksueel geweld. Minderjarige
slachtoffers kunnen naast lichamelijk letsel of
lichamelijke klachten en gevolgen ook diverse
(internaliserende en externaliserende) gedragssymptomen
laten zien.’ (Nationaal Rapporteur
Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen,
2014)
2 ‘The non-trauma-related position, also referred
to as the sociocognitive model of DID (Dissociative
Identity Disorder), holds that DID is a
simulation caused by high suggestibility and/
or fantasy proneness, suggestive psychotherapy
and other suggestive sociocultural influences
(e.g., the media and/or the church)’ (Reinders,
Vos, Willemsen, Den Boer & Nijenhuis, 2012).
3 ‘Four examples of the links between childhood
experience and adult biomedical disease are
the relationship of ACE Score to liver disease,..,
chronic obstructive pulmonary disease,.., coronary
artery disease and autoimmune disease’
(Lanius, Vermetten & Pain, 2010, p. 77 e.v.).
4 Psalm 74,21: ‘Laat verdrukten niet teleurgesteld
heengaan, laat zwakken en armen uw naam
loven.’
Literatuur
Adams, C.J., & Fortune, M.M. (Eds.). (1995). Violence
against women and children: A Christian
Theological Sourcebook. New York: Continuum.
Boon, S., Steele, K., & Van der Hart, O. (2012).
Omgaan met traumagerelateerde dissociatie: vaardigheidstraining
voor cliënten en hun therapeuten.
Amsterdam: Pearson.
Ganzevoort, R.R., & Veerman, A.L. (2000). Geschonden
lichaam: Pastorale gids voor gemeenten
die geconfronteerd worden met seksueel geweld. Zoetermeer:
Boekencentrum.
Groenwold, H. (2013). Mantel der liefde. Kampen:
Brevier.
Herman, J. L. (1993). Trauma en herstel: de gevolgen
van geweld. Van thuis tot politiek. (M. op den
Camp, Vert.). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
Lanius, R.A., Vermetten, E., & Pain, C. (2010).
The Impact of Early Life Trauma on Health and
Disease, The Hidden Epidemic. Cambridge: University
Press.
Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel
Geweld tegen Kinderen (2014). Op Goede Grond,
De aanpak van seksueel geweld tegen kinderen. Den
Haag: Nationaal Rapporteur.
Nijenhuis, E. R. S. (2004). Somatoform dissociation:
Phenomena, measurement, & theoretical issues.
New York: W. W. Norton.
Reinders, A.A.T.S., Willemsen, A.T.M., Vos, H.P.J.,
den Boer, J.A., & Nijenhuis, E.R.S. (2012). Fact
or Factitious? A Psychobiological Study of Authentic
and Simulated Dissociative Identity States. Plos
One, 7 (7), doi: 10.1371/journal.pone.0039279
Roodvoets, C. (2011). Niemandskinderen, De gevolgen
en verwerking van een onveilige jeugd. Haarlem:
Altamira.
Van der Hart, O., Nijenhuis, E. R. S., & Steele, K.
(2010). Het belaagde zelf: Structurele dissociatie
en de behandeling van chronische traumatisering.
Amsterdam: Boom. (Oorspronkelijke uitgave:
The haunted self: Structural dissociation and the
treatment of chronic traumatization. New York/
London: W.W. Norton, 2006.).
Veerman, A.L. (2000). Waar hebben mensen die
slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld behoefte
aan? Praktische Theologie, 37, 266-279.
Veerman, A.L. (2005). Ontredderd: Het proces in de
kerkenraad als de predikant seksueel misbruik heeft
gepleegd. Zoetermeer: Boekencentrum.
Personalia
Esther Veerman is emeritus predikant en kunstenaar,
oprichtster van stichting Kunst uit Geweld,
auteur van Nooit meer Kwijt (2006).
Correspondentieadres: jeveerman@gmail.com